zegge

zegge zn. ‘rietgras’

Middelnederlands alleen in plaatsnamen, bijv. Zecvelt (13e eeuw) ‘Zegveld’ (prov. Utrecht), Zegcamp, Zeccamp (1334, Moordrecht), Segacker (1417, Gelderland); cf. Schönfeld, Veldnamen in Nederland (1950), 65–66. Nieuwnederlands segge (1578), seck (1599, Zeeland), zegge (1608). In dialecten: Vlaams zagge, Zeeuws, Gronings, Drents sek, Twents zegge. Daarnaast Brabants (Kempen, Hageland, Peelland) en sporadisch Limburgs (Zonhoven) zaar(gras), zoor(gras) ‘zegge’.

 

Verwante vormen: (1) MoWFri. sigge, Oud-Engels secg m., MoE sedge ‘zegge’. (2) Oudsaksisch sahar m./o. (*sahara-), segcar ‘zegge’ (*sagjara-?), saherai ‘zegge’ (< *saharahja-), dat.mv. seón ‘wier, zeegras’ (*sahja- of *seha-); Oudhoogduits sahar, Middelhoogduits saher ‘rietgras’, Nieuwhd. saher ‘rietgras; groene punten van grashalmen of korenaren’. (3) Middeliers seisc v., Welsh hesg ‘zegge, riet’ (< Proto-Keltisch *seski/ā).

Binnen het Westgermaans contrasteert noordelijk *sagja- m. (Engels, Nederlands) met zuidelijker *sahara-, dat mogelijk uit ouder PGm. *sahaza- komt (zo Kroonen 2013: 421). Zuidoostnederlands zaar, zoor hoort bij Hoogduits saher en is door wegval van h ontstaan; deze variant stamt dus niet van een aparte PIE wortel *ser(p)- ‘scherp’, zoals door Weijnen, Etymologisch Dialectwoordenboek (2003: 422) is verondersteld.

 

De meeste etymologica beschouwen ‘zegge’ als een afleiding van de PIE wortel *sek- ‘snijden’ (Latijn secare), waarvan in het Germaans o.a. zaag (*sagō-) en *sahsa- ‘mes’ afstammen. In *sah-s-a- zou dezelfde s-stam verwerkt kunnen zijn als in *sah-az-a- ‘zegge’. De naam zou dan van de scherpe bladeren van het rietgras stammen (vergelijk Nhd. Schwertel ‘zegge’ afgeleid van ‘zwaard’). De WGm. variatie tussen *sagja- en *sahaza- moet dan verklaard worden uit secundaire aanpassing aan verschillende woorden die ‘mes’ of ‘scherp’ betekenden.

 

Kroonen 2013 benadrukt dat ook Keltisch *sesk- en Witrussisch osoka ‘zegge’ betekenen. Samen met Germaans *sok(-os)- zou dat wel een vrij ongebruikelijke klankovereenkomst inhouden. Aangezien we, o.a. vanwege onregelmatige klankovereenkomsten, vermoeden dat meerdere plantnamen in West- en Midden-Europa door de Indo-Europeanen ontleend zijn aan een oudere lokale bevolking, stelt Kroonen dat ‘zegge’ zo’n ontleningen zou kunnen zijn. Maar Witrussisch osoka, in 1925 door Vercouillie in zijn woordenboek genoemd, hoort er niet bij. Samen met Pools osoka, Russisch osóka, osoká ‘zegge’ en Litouws  ãšaka, ašakà ‘visgraat, korst’ gaat het op een Baltoslavisch woord voor ‘scherp’ terug (Vaillant, Grammaire comparée des langues slaves. IV : La formation des noms, 1974: 543), afgeleid van BSl. *aḱ– ‘scherp’, waar bijv. ook woorden voor ‘distel’ (Russisch osót) en het bn. ‘scherp’ (Ru. óstryj, Lit. aštrùs ‘scherp’) van afstammen.

 

Daarmee is de mogelijkheid van een ontleende plantnaam niet meteen van de baan. Maar de overeenkomst tussen Keltisch *se-sk- (mogelijk een geredupliceerd bn. *se-sk-i-) en Germaans *sok-(os-) kan ook van Indo-Europese herkomst zijn. In het Germaans zou de interne variatie dan, zoals gezegd, door latere aanpassingen aan andere woorden met de betekenis ‘mes’ of ‘scherp’.

Dit bericht is geplaatst in taalkunde met de tags , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter