Engels als lingua franca van de wetenschap

Door Lucas Seuren

Over krap twee maanden verdedig ik mijn proefschrift; een bundel van artikelen en analyses waarvoor ik de afgelopen vier jaar me heb verdiept in Nederlandse gespreksvoering. Maar ondanks die focus op het Nederlands is het proefschrift in het Engels, een praktijk die geldt voor vrijwel alle taalonderzoekers in Nederland. De reden daarvoor is vrij evident: het publiek waarvoor we schrijven is het Nederlands veelal niet machtig. De voertaal is veelal Engels. Willen we onze analyses, die zeker relevant zijn voor andere talen, delen met onze collega’s over de wereld, dan moeten we dus in het Engels schrijven.

Ik heb nooit vraagtekens gezet bij die manier van werken. Toen ik begon met studeren—toen nog sterrenkunde—moest ik gelijk werken met Engelstalige tekstboeken. Mijn docenten spraken nog Nederlands, maar ik leerde over de mechanica en lineaire algebra in het Engels, en ik werd ook geacht te presenteren en te schrijven in het Engels. De natuurwetten zijn in Nederland niet anders dan in de rest van de wereld, en dus moet je als onderzoeker in spe gelijk leren praten met de wereldwijde academische gemeenschap.

Vraagtekens

Toch ben ik in de laatste paar maanden vraagtekens gaan zetten bij deze werkwijze. Niet omdat ik denk dat we onze buitenlandse collega’s moeten buitensluiten—al is het wel opmerkelijk dat er nog genoeg in het Duits, Frans, Chinees, en menig andere taal gepubliceerd wordt—maar omdat de academie, in ieder geval die van de taalkunde, de Engelstalige gemeenschap een bevoorrechte positie geeft.

De eerste manier waarop dit tot uiting komt is vrij evident: schrijven in je tweede taal is moeilijker dan in je moedertaal. Je mist een deel van de creativiteit die je gebruikt om je teksten leesbaar te maken. Een wetenschappelijk artikel is in de eerste plaats een persuasieve tekst, en je doel als schrijver is dus de lezer overtuigen. En dat gaat nu eenmaal moeizamer als je vaak moet terugvallen op dezelfde grammaticale constructies, en als je schrijft op een manier die een moedertaalspreker als licht onnatuurlijk ziet. Het is geen nieuws dat een slecht geschreven tekst, hoe goed de argumenten ook mogen zijn, minder overtuigend overkomt dan een goed geschreven tekst.

Het tweede probleem is procedureel. In de huidige academische wereld hebben uitgevers enorm veel macht. Je moet, zeker als jonge en nog onbekende wetenschapper, publiceren in grote tijdschriften. Maar die tijdschriften nemen zelden veel verantwoordelijkheid voor de inhoud en stijl van artikelen. Er wordt verwacht van de schrijvers dat ze het redigeerwerk doen: jij moet een taalkundig correct artikel afleveren en als je dat niet kan moet je daar een extern bureau voor inschakelen. Hoe goed ik ook kan schrijven, foutloos schrijven is er niet bij, en zelfs Britse of Amerikaanse collega’s om hulp vragen is niet altijd afdoende. Dus wordt er van mij verwacht dat ik een honderden euro’s neertel om ervoor te zorgen dat een artikel foutloos is. Maar daar heb ik helemaal geen budget voor.

Het derde probleem is subtieler: bij sommige wetenschappers heerst het beeld dat we vertalen om onze Engelstalige collega’s een plezier te doen. Let op: het gaat dus niet om de academische gemeenschap in brede zin, maar slechts de Amerikanen, Australiërs, Britten, Canadezen, etc. Er heerst een soort anglo-centrisch beeld waar men denkt dat de Engelstalige academie het hart is van de wetenschap, en de rest in buitengebieden ligt. In plaats van Rome zijn nu Harvard of Oxford het centrum van de wereld. Zie bijvoorbeeld het volgende citaat uit een handboek waarin wordt uitgelegd hoe om te gaan met talen anders dan het Engels (met name als ze een ander alfabet hebben):

“The latter, commonly adopted option [a Roman transliteration system] has a number of advantages, including relative accessibility of the transcripts to English-speaking audiences.”

Onderzoekers naar Russisch of Chinees moeten hun data dus in het Latijnse alfabet schrijven, niet zodat de bredere academische gemeenschap het kan lezen, maar voor de Engelssprekende gemeenschap. Wat de gedachte achter deze formulering ook geweest moge zijn, het vertoont een duidelijke anglocentrische visie. Ik zou namelijk vrij huiverig zijn om Fransen, Duitsers, Roemenen, of Russen (in het geval van bv Chinese data) English-speaking te noemen.

Meer Nederlands

De oplossing voor deze problemen is natuurlijk niet om te stoppen met publiceren in het Engels. Daarmee schieten we onszelf in de voet, want dan gaat de invloed van ons onderzoek in zijn geheel verloren. (Overigens wordt volgens mij onderzoek naar niet-Engelse data, in ieder geval in de conversatieanalyse, sowieso minder vaak geciteerd, wat erop kan wijzen dat als je geen Engelse data gebruikt, het de Engelstalige gemeenschap weinig interesseert. Dit werd ook in soortgelijke bewoording gesuggereerd door een Canadese collega enkele jaren terug.) Maar evenmin moeten we in de wetenschap het Nederlands dan maar slachtofferen ten behoeve van het Engels. We schrijven immers niet alleen voor andere academici, maar ook voor de gemeenschap: wetenschap wordt met publieke middelen betaalt en het is dus zaak dat we verantwoording afleggen aan onze financiers, i.e., de samenleving.

Oplossingen zoals die van het Tijdschrift voor Taalbeheersing lijken me een prachtige middenweg. Artikelen in dit tijdschrift zijn gewoon in het Nederlands, maar de abstracts, de samenvattingen, zijn in het Engels. De details van het onderzoek blijven daarmee natuurlijk ontoegankelijk voor de bredere academische gemeenschap, maar het biedt Nederlandse onderzoekers de kans om te schrijven in de taal die ze het best machtig zijn, en tegelijkertijd krijgt de wereld om ons heen wel een idee van waar ons onderzoek over gaat. Natuurlijk kunnen we daarnaast gewoon in het Engels blijven schrijven – en promovendi zullen hun proefschriften als ze een internationale leescommissie willen nog steeds in het Engels moeten schrijven – maar we verlagen de drempel voor publiceren.

Startblok

Nederlandstalige tijdschriften kunnen de ideale basis vormen om jonge onderzoekers, en natuurlijk jonge studenten, artikelen te leren lezen en te leren schrijven, voor we ze in het diepe werpen met het Engels. En voor ervaren onderzoekers bieden ze de gelegenheid om analyses te delen die voor de wereld wat minder van belang zijn, of die misschien nog niet rijp zijn voor de top journals, maar die wel gedeeld kunnen worden. Als we onze eigen taal serieuzer gaan nemen, compenseren we vanzelf ook wel de impactfactor van die Nederlandstalige tijdschriften: die zijn nu nog laag, maar als we ze maar genoeg gebruiken kunnen we er ook met een gerust hart in publiceren, zonder dat we gelijk bang hoeven te zijn voor de grote, boze visitatiecommissies die onze academische huizen komt omblazen.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags . Bookmark de permalink.

6 reacties op Engels als lingua franca van de wetenschap

  1. Johan Schipper schreef:

    Vraagje van een buitenstaander: moest het in het Engels?

    • Lucas schreef:

      Nee. Het mocht in het Nederlands. Al wordt er vanaf de master al wel sterk op Engels gefocust, en de master scriptie moest wel in het Engels (vraag me niet waarom).

  2. DirkJan schreef:

    De verengelsing blijft een actueel gespreksonderwerp en ik wilde nog even terugkomen op het vlammende protest van hoogleraar Lotte Jensen in de Volkskrant waarin zij stelde dat zij door het vertalen van Vondel haar vakgebied niet op het hoogste niveau kon uitoefenen, Ik reageerde al eerder dat ik dat wat overtrokken vond, want wat is er op tegen om Vondel ook te vertalen? Ze behaalde met haar protest de tweede prijs van de LOF-verkiezing van de Stichting Nederlands.

    Dan ben ik toch wel verbaasd dat diezelfde Lotte Jensen een projectgroep in Nijmegen leidt over lokale en nationale identiteitsvorming beïnvloed door rampen in de periode 1421-1890 in Nederland, en dat de bijbehorende website /alleen/ in het Engels is. Volgend jaar maakt ze vrees ik grote kans op de eerste prijs in de SOF-verkiezing.

    http://dealingwithdisasters.nl/

  3. Jos Van Hecke schreef:

    Mijn mening is als volgt: het lijkt me menselijk en vanzelfsprekend dat een wetenschapper zijn/haar ideeën of bevindingen uitdrukt / neerschrijft in de taal die hij/zij bezigt in het bedenken/beoefenen van die wetenschap. In de regel is dit de moedertaal van de wetenschapper maar het kan – in welbepaalde gevallen – ook een andere taal zijn (bv. wetenschappelijk of technisch Engels voor zuiver abstracte, getalsmatige, technische of hoogtechnologische wetenschappelijke onderwerpen).
    Als die (niet Engelstalige) wetenschapper wil dat zijn ideeën/bevindingen wereldwijd met alle andere wetenschappers inhoudelijke gedeeld kunnen worden zonder dat hij hiervoor door een uitgever uitgenodigd of gevraagd wordt, dan zorgt hij op eigen kosten voor een professionele publicatievertaling in de huidige ‘lingua franca’ van de wetenschap, het Engels, eventueel ook nog in andere talen. Als de universiteit of het instituut waaraan de (niet Engelstalige) wetenschapper verbonden is dit wenst, wil of eist dan dient die universiteit of het instituut dit op haar/zijn beurt op eigen kosten te doen. Dit zou mijns inziens in de regel moeten gelden voor doctorale proefschriften en zeker voor proefschriften van de gewone meestergraad. Universiteiten die dit (proberen) afschuiven op de rug (en de kosten) van hun studenten of onderzoekers zijn mijns inziens slechte universiteiten, nietsontziende ondernemers, speculanten, profiteurs, sjacheraars, uitbuiters, charlatans, bedriegers, woekeraars, tollenaars….. kortom slecht volk.

Reacties zijn gesloten.