zuinig

zuinig bn. ‘spaarzaam’

Middelnederlands zunich ‘nauwlettend toeziend’ (1401–1500), sticksuynigh ‘scheel’ (1477; lett. ‘stijf kijkend’), onsunich (1430–1450) ‘onrein’, Nieuwnl. bi sunicheyt ‘waarschijnlijk’ (1525-1527), onzuynigh ‘verkwistend’ (1663), suynich ‘spaarzaam’ (1612), ‘behoedzaam’ (1618), ‘teleurgesteld’ (1683).

 

Zuinig betekende oorspronkelijk ‘toeziend, omzichtig’, en is een afleiding met -ig van het bn. dat we als suun ‘scheel’ (1340-1360, Brabant), suyn, suyne ‘waarschijnlijk’ (1477, ZO-Nl.) ook in het Middelnl. vinden. De vormen met de klinker ie die vooral in Vlaamse en Hollandse bronnen voorkomen zijn in feite hetzelfde woord: Middelnl. siene bn. ‘flink, strijdbaar’ (1285), ‘mooi’, siene bw. ‘op uitstekende wijze’ (1285), onsiene ‘hachelijk’ (1285), ‘lelijk’, tsienst ‘het beste’, selsiene ‘zeldzaam’.

De verdeling in het Nederlands van ie-vocalisme in het westen tegenover uu of ui in het oosten (waarbij in Holland beide vormen voor kunnen komen) wijst op een Westgermaanse klinker *iu, zoals bijv. ook in Diets tegenover Duits.

 

Verwante vormen zijn Middelnederduits sune ‘zichtbaar’, Oudengels gesīene ‘zichtbaar’, Ohd. –siuno bw. ‘zorgvuldig’, alle uit West-Germaans *siuni- ‘zichtbaar’ dat met i-umlaut teruggaat op Proto-Germaans *seuni-, waaruit ook Gotisch anasiuns en Oudnoors sýnn ‘zichtbaar’. Het lijkt erop dat dit bn. van een vrouwelijk zn. *seuni- ‘het zien, gezichtsvermogen’ is afgeleid, vgl. Got. siuns, ON sjón, OE sīen, Oudfries siūne, siōne, Oudsaksisch siun, Middelnederlands siene alle ‘gezichtsvermogen, blik’, het Mnl. woord ook ‘oog’. Dit PGm. *seuni- heeft zich, door vereenvoudiging van *gw tot *w, uit een oudere vorm *segw-ní- ontwikkeld. Die laatste is door het stemhebbend worden van *kw (de Wet van Verner) uit Proto-Indo-Europees *sekw-ní- ontstaan, een afleiding bij de wortel *sekw‘volgen’ die ook in het ww. zien zit.

 

Literatuur:

Guus Kroonen.2013. Etymological Dictionary of Proto-Germanic, p. 434.

Frank Heidermanns. 2003. Etym. Wb. der germanischen Primäradjektive, p. 473f.

Dit bericht is geplaatst in taalkunde met de tags , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter