Vinden, geloven en beschouwen

Door Marc van Oostendorp

Wat is het verschil tussen vinden en geloven? Waarom kun je wel zeggen ‘Ik vind dat het eten in de kantine lekker is’, maar niet ‘Ik vind dat jij een dokter bent’? Het ligt er niet aan dat je alleen dingen kunt vinden die objectief waar zijn, want je kunt natuurlijk zeggen ‘Ik geloof dat jij een dokter bent’ en dan is het ook niet zeker waar dat jij tot de medische stand behoort.

De jonge Zweedse taalkundige Elizabeth Coppock geeft in een net verschenen artikel nog een groot aantal voorbeelden waaruit hetzelfde blijkt (ze geeft ze in het Zweeds, maar ze zijn zo in het Nederlands te vertalen):

  • Ik vind dat het vandaag dinsdag is.
  • Ik vind dat ik ga winnen.
  • Ik vind dat het misschien om kwart over begint.
  • Ik vind dat God bestaat.

Bij de meeste van die voorbeelden is er helemaal geen sprake van objectieve waarheid (het is op dit moment nog verre van zeker dat ik inderdaad ga winnen). Toch kun je hier geen vinden gebruiken, maar wel geloven.Toch heeft het verschil tussen geloven en vinden wel iets met de objectieve waarheid te maken, laat Coppock zien. In alle genoemde voorbeelden weten we weliswaar misschien op dit moment niet wat de objectieve waarheid is, maar als we genoeg geduld hebben en middelen om het uit te zoeken, kunnen we er wel achter komen. (Dat geldt, voor ons taalgevoel, dus ook voor het bestaan van God.)

Geen gelijk

Het geldt meestal niet voor de dingen die je vindt. Dat zijn zaken die afhankelijk zijn van de manier waarop iemand de wereld bekijkt. Dat zie je aan het verschil tussen discussies als, aan de ene kant:

(1)
A: God bestaat.
B: Nee, Hij bestaat niet.

en, aan de andere kant:

(2)
A: Deze soep is heerlijk!
B: Nee, hij is veel te zout!

In de eerste discussie heeft iemand ongelijk, ook al weten we misschien niet wie dat is. In de tweede discussie kun je dat niet zeggen. Er is geen gelijk.

Veel te zout

Nu zou je kunnen denken dat de sprekers in de tweede discussie allebei alleen verslag uitbrengen van hun eigen smaak, en dat ‘deze soep is heerlijk!’ eigenlijk zoveel betekent als ‘Ik vind deze soep heerlijk’. Maar dat verklaart niet dat er iets raars is met de volgende dialoog:

(3)
A: Ik vind deze soep heerlijk!
B: Nee, ik vind deze soep veel te zout!

Er is iets raar aan deze dialoog (al worden dit soort gesprekken misschien soms wel gevoerd). Nee! suggereert dat er tegenspraak is, maar het feit dat A het ene vindt en B het andere is natuurlijk niet in tegenspraak. Dat rare gevoel is er niet bij het dialoogje 2: als iemand zegt dat de soep lekker is, kan ik zonder problemen zeggen dat de soep niet lekker is.

Dictator

Waarom doen we dat? Coppock noemt dit soort opinies verfijningen van de wereld. Als ik zeg dat de soep lekker is, geef ik een verfijning van de objectieve wereld: een waarin de soep lekker is. Door dat zo te zeggen: “De soep is lekker!” stel ik aan jou als luisteraar voor om samen die verfijning van de wereld te leven. Wanneer jij dan zegt “Nee, hij is veel te zout!” stel je een andere verfijning van de wereld voor die we samen kunnen beleven.

Coppock wijst er in dit kader op dat het als je in gesprek met Kim Jong-Un niet verstandig is om hem tegen te spreken, ook niet met een beroep op het niet-objectieve van een mening over soep. Het is immers minder fijn om met mensen te spreken die je verfijning van de wereld niet overnemen. Dus, ja, in gesprek met een dictator is de soep net zo lekker als hij wil.

Politieke kwestie

Er zijn meer werkwoorden die verfijningen van de wereld beschrijven. Beschouwen bijvoorbeeld. Coppock wijst onder andere op het volgende interessante paar:

  • Anne beschouwt Boergondië als een deel van Frankrijk.
  • Anne beschouwt de Krim als een deel van Rusland.

De eerste zin is enigszins eigenaardig, omdat niemand betwist dat Boergondië een deel van Frankrijk is – daarmee is het natuurlijk nog geen objectief feit, want er is in zekere zin geen objectiviteit in dit soort kwesties; het is echter intersubjectief, de mensen zijn het hierover met elkaar eens. De tweede zin is veel gewoner, en dat heeft te maken met het feit dat de relatie tussen de Krim en Rusland een politieke kwestie is.

Algemeen geldig

Beschouwen en vinden zijn onderling wel weer licht verschillend. Soms kun je ze allebei gebruiken:

  • Kim vindt Lee fascinerend / beschouwt Lee als fascinerend, omdat hij een oesterdeskundige is.

maar er zijn ook gevallen waar je het ene wel kunt zeggen en het andere niet:

  • Kim vindt Lee een vegetariër [vreemd] / beschouwt Lee als vegetariër. omdat hij alleen oesters eet.

Bij beschowuen lijkt het dus vooral te gaan om hoe je je woorden en begrippen precies afbakent. Als je zegt ‘ik beschouw de soep als vies’ zeg je dat jouw idee van vies dusdanig is dat deze soep eronder valt’; iemand anders afbakening van het vieze in de wereld kan een andere zijn. Maar als je zegt ‘ik vind de soep vies’ ga je uit van de mogelijkheid dat iedereen een zelfde definitie van viesheid hanteert. Alleen valt in jouw beleving de soep onder die algemeen geldige definitie.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column, taalkunde met de tags , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Vinden, geloven en beschouwen

  1. Anton schreef:

    “Kim beschouwt Lee als vegetariër omdat hij alleen oesters eet” is wat problematisch als acceptabele zin. Kim is een beetje gek, denk ik dan…

Reacties zijn gesloten.