Gedicht: G.A. Bredero – Koortsigh Lietje

Dit jaar wordt herdacht dat Bredero 400 jaar geleden overleed.

Koortsigh Lietje
Stemme: Onlangs vroeg in ’t morgen-rood, &c.

Als Dirckje in syn Koortse lagh,
Die hem het bloed besmette,
Met een brandende hette:
Hy sloech sijn ooghjens op, en sach
Dat sijn lieve Lijsbette,
De selve sieckte lette,
Doen heeft hy gheseyt:
Mijn vriendelijckheyt,
Hoe deert myn u leyt!
Och sterft niet, maer beyt,
Want siet ick ben bereyt
Mijn ziel u by te setten.

De vlammen steghen an sijn hart,
Sijn tongh hield op van klaghen:
Sijn pols begon te jaghen:
Het scheen dat hy veel styver smart,
Ja doodelijcker plaghen
Om harent wil moest draghen,
Dan doch niet temin,
So nam hy noch in
Sijn soete vriendin,
En sieckts-ghesellin
Met siel en met sin,
Een wonder welbehaghen.

Sy sloot haer ooghjens hallif toe,
Als hy hem neder spreyde,
En totter doot bereyde:
Sy sach wel an sijn lipjens doe
Hoe sijn ziel arrebeyde,
En al zyn kracht uytbreyde.
Sy riep doen so seer,
Met een stemmetje teer,
Mijn Enghel! mijn Eer!
Ick swijm, och mijn Heer,
En ick, seyd’ hy weer,
Gae van mijn sieltje scheyden.

De woorden kleefden an de tongh,
Sy bleven legghen swoegen,
Met lieffelijck vernoeghen:
Haer Herten hijghde, en de Longh,
En dat in sulcker voegen,
Dat al de Aders sloeghen:
Die tuychden ter noot
Haer jammeren groot,
En quellinghen snoot,
Hy sturf in haer schoot
Een suyckerighe doot
Daer sy haer slap om loegen.

(G.A. Brederode, Groot lied-boek)

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter