Hint

Door Guusje Jol

Taalkundigen kijken logischerwijs graag naar taal. Het is ook inderdaad een belangrijk middel van communicatie. Maar ook weer niet het enige.
Ik doel hier niet op van die series met twijfelachtig realiteitsgehalte waaraan een mentalistachtig type conclusies trekt op basis van een linkeroog dat samen zou knijpen (een leugen!) of een trillende neusvleugel (duidelijk geval van ingehouden verdriet door jeugdtrauma’s!). Nee, het gaat me om meer alledaagse dingen die we doen in communicatie zonder iets te zeggen. Het volgende WhatsAppgesprek levert daar een mooie illustratie van. Het is een lezersbijdrage aan het gratis krantje Metro.

1   A (9u 12min):  →          net in de trein, ik zat bij het raam met iemand naast me. Ik pak m’n tas, zo van: hint, ik moet hier uit
2   B (9u 12min):               Mensen die in de trein instappen als je er nog niet uit bent?
3   A (9u 12min):  →          Die guy blijft nog ff rustig zitten. Ik nou ja laat maar gaan, ik red m’n bus nog wel
4   A (9u 12min):               Staat ie op, ik erachter aan, laat ie de deur in m’n gezicht vallen
5   B (9u 13min):               NO WAY
6   B (9u 13min):               OMGGGGGGGG
(Metro, vrijdag 16 juni 2017 (p.15))

Je zou hier van alles over kunnen zeggen. Bijvoorbeeld iets over de invloed van het Engels op het Nederlands (zie ‘guy’, ‘NO WAY’ en ‘OMGGGGGGGG’). Of je zou iets kunnen zeggen over interpunctie in sociale media. Of je zou – in de geest van etiquettedeskundige Reinildiz van Ditzhuizen – kunnen betogen dat het niet echt wellevend is iemand de deur in het gezicht te laten vallen. En je zou zeker ook iets kunnen zeggen over alles wat Anne niet zegt en welk effect dat heeft. (Over dat laatste heb ik graag het een andere keer!)

Plaats bij het raam

Waar het mij nu om gaat, zijn berichten 1 en 3 van Anne (gemarkeerd met de pijltjes). (Voor het lezersgemak noem ik A verder genderflexibel Anne.  B is verder Bo.) Anne pakte zijn/haar tas en de ‘guy’ reageerde niet. Anne beweert dat hij/zij het liet gaan, maar ergert zich er evengoed overduidelijk aan. Dat suggereert dat de ‘guy’ iets verkeerd heeft gedaan in de ogen van Anne. Het verwijt is dat hij niet opstond toen dat (volgens Anne in elk geval) wel had gemoeten.
Dat brengt me op een kwestie waar ik de laatste tijd met enige regelmaat over nadenk. Vooral als ik in de bus zit. (Ik word beroerd van  lezen in de bus, dus dit is een aardig tijdverdrijf.) De kwestie is: als je in het OV bij het raam zit, hoe krijg je medewerking van je buurman/buurvrouw als je wil uitstappen?

Assistentie verwerven

Dat brengt me al mijmerend vrij snel op de vraag: hoe krijg je het meer in het algemeen voor elkaar dat mensen assistentie verlenen? Stel dat je dat aan mensen vraagt. Dan zeggen ze waarschijnlijk dat ze dat netjes vragen. Dat is tenminste zoals ouders proberen hun kinderen op te voeden: ‘mag ik alsjeblieft een koekje?’, ‘zou ik er even langs mogen?’. Je zou ook kunnen zeggen: we denken dat we een beleefd talig verzoek (moeten)  doen. Maar in de praktijk doen mensen lang niet altijd expliciet verzoek als ze iets van een ander willen, zo analyseerden Kobin Kendrick en Paul Drew (2016).

Melden van wat het  probleem is  en melden  dát er een probleem is

Kendrik en Drew concludeerden dat mensen soms alleen iets melden wat ze nodig hebben,  bijvoorbeeld door te mompelen ‘lucifers…’. Of ze kunnen bij de kassa in de kantine uitroepen: ‘Shit, ik ben m’n portemonnee vergeten’.  De kans is aanwezig dat dat een collega in de rij aanbiedt om voor te schieten. Oók als dat niet de bedoeling was van de melding.

Een voorbeeld. Ik bestelde een keer en beker thee bij de Kiosk op het station, maar moest na een paniekerige zoektocht melden dat ik m’n portemonnee niet bij me had. Ik zei dat tegen de Kioskmedewerker, met de bedoeling de thee af te bestellen. Maar een uiterst vriendelijke mevrouw na mij bestelde ook iets en zei ‘doe die thee er maar bij’. Ik ben haar nog steeds dankbaar.

Nog een stapje implicieter dan melden wat je probleem is, is alleen mondeling signaleren dát je een probleem hebt, zonder dat je duidelijk maakt wát het probleem precies is. Bijvoorbeeld door alleen ‘shit’, ‘oh nee’ of ‘wat ben ik toch een oen’ te zeggen. Anderen kunnen dan vaak uit de omstandigheden afleiden wat er mis is en eventueel hulp aanbieden.

Zonder iets te zeggen

Maar het kan nog implicieter, zo vonden Kendrick en Drew. Namelijk, door alleen fysiek te laten zien – en niet te laten horen – dat je kampt met een moeilijkheid. Bijvoorbeeld door gefrustreerd te krassen met een niet-werkende pen. Of duidelijk zichtbaar naar bestek te zoeken.

Tot slot de meest impliciete variant van hulp verwerven. Of eigenlijk, degene die assistentie krijgt, lokt die assistentie überhaupt niet uit. In plaats daarvan anticiperen anderen op mogelijke moeilijkheden. Wat mensen gaan doen, is namelijk vaak voorspelbaar. En daarmee zijn ook de moeilijkheden die ze tegen gaan komen voorspelbaar. Denk aan iemand met een kinderwagen en een koffer op het perron, terwijl de trein net binnen komt rijden. De persoon is dan nog niet bezig met klooien om de wagen het trapje op te sjouwen (zonder kind eruit te laten vallen) en tegelijk koffer in het oog te houden. Het probleem dus nog niet zichtbaar. Toch zijn er dan gelukkig regelmatig mensen die voorzien dat dat een ‘dingetje’ gaat worden en assistentie aanbieden.

De verschillende mogelijkheden hierboven variëren in hoe expliciet de behoefte aan assistentie wordt gemaakt, en ook in wie dat doet. Bij een expliciet verzoek zet degene die hulp kan gebruiken de eerste stap en maakt die behoefte vrij expliciet. Bij geanticipeerde problemen was het probleem  nog niet zichtbaar en is het juist de assistentie-verlener die het initiatief neemt en mogelijke behoefte aan assistentie zichtbaar maakt. De andere opties zitten er tussenin.

WhatsAppgesprek

Terug naar het WhatsAppgesprek en de situatie in het OV. Dat Anne zijn/haar tas pakte, maakte het mogelijk een voorspelling te doen over wat Anne van plan was, namelijk: opstaan en uitstappen. Daarmee had ‘guy’ kunnen anticiperen op het probleem waarmee Anne al heel snel te maken zou krijgen, namelijk dat ‘guy’ in de weg zat. Je zou ook kunnen zeggen dat Anne fysiek een probleem liet zien: het was niet mogelijk om naar de uitgang te gaan omdat ‘guy’ in de weg zat. In elk geval was het een woordeloze manier van assistentie verwerven en Anne vat het zelf ook samen als ‘hint’.

Verantwoordelijk voor reactie

Het leuke van Anne’s apps vind ik dat ze iets laten zien over de verantwoordelijkheid voor een reactie. Als Anne een mondeling verzoek had gedaan en ‘guy’ had niet gereageerd, had Anne een reactie na kunnen jagen, bijvoorbeeld door het verzoek te herhalen. In dit geval gaat het om een fysieke hint en de app beweert hij/zij het te ‘hebben laten gaan’. Dit ‘laten gaan’ suggereert dat hij/zij met recht een reactie had kunnen najagen. Ook al was er geen sprake van een talig verzoek. Een fysieke hint kan dus kennelijk op dezelfde manier tot een reactie verplichten als een mondeling verzoek. Verzoeken maken dus deel uit van een reeks van mogelijkheden om assistentie te verwerven. Persoonlijk vind ik het wel een geruststellende gedachte. Taal is prachtig en enorm interessant, maar ook weer niet alles hangt ervan af.

Is hiermee alles gezegd over medewerking van de medereiziger? Nee, natuurlijk niet. Dus ik mijmer de volgende keer dat ik in de bus zit rustig verder.

Verder lezen:
Kobin Kendrik & Paul Drew (2016) Recruitment: Offers, Requests, and the Organization of Assistance in Interaction. Research on Language and Social Interaction. 49(1): 1-19.

Dit bericht is geplaatst in column, taalbeheersing met de tags . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter