Hij zat goed vast? of Zat ie goed vast?

Door Lucas Seuren

Onlangs kwam Enexis een nieuwe energiemeter bij mij installeren. Dat had blijkbaar nogal wat voeten in de aarde, want de monteur was lang bezig met het verwijderen van de oude meter. Toen het kreng—de energiemeter, niet de monteur—eindelijk van zijn plek was slaakte hij—de monteur, niet de energiemeter—dan ook een zucht van verlichting. Ik vroeg vervolgens of de meter goed vast zat, maar dat hoorde de monteur niet, want hij zei iets van hè?, waarna ik mijn vraag normaals stelde. Dat op zichzelf is natuurlijk niet bijzonder, maar de manier waarop ik beide vragen stelde, was wel degelijk opmerkelijk:

Ik: Hij zat goed vast?
Monteur: Hè?
Ik: Zat ie goed vast?

De tweede keer dat ik de vraag stelde, herhaalde ik niet simpelweg de vraag, ik stelde hem op een iets andere manier. Waar de eerste vraag de vorm had van een declaratief, of bewerende zin—de persoonsvorm, zat, kwam na het subject, hij—had de tweede poging de vorm van een ja/nee-interrogatief, of ja/nee-vraagzin—de persoonsvorm stond vooraan de zin. Waarom die verandering? Als de monteur me simpelweg niet gehoord had, dan zou ik toch net zo goed de vraag op exact dezelfde manier hebben kunnen stellen?

Zekerheid en kennis

Je zou als je dit dialoogje ziet natuurlijk de conclusie kunnen trekken dat woordvolgorde er niet toe deed in dit geval: met beide formuleringen maak ik duidelijk om bevestiging vraag. Maar daarmee zou je de dialoog, en taal in bredere zin—en mij natuurlijk!—enorm tekort doen. Mensen hechten bij wat ze zeggen veel waarde aan hoe ze het zeggen. Probeer maar eens aan iemand een ja/nee-vraag te stellen met een declaratief waar je normaal een interrogatief zou gebruiken. Iedereen voelt wel aan dat er dan iets wringt, of in ieder geval iets bijzonders aan de hand is: “Hey Tom, je gaat vandaag mijn proefschrift lezen?” Dat kan ik niet zeggen als Tom mij niet te kennen heeft gegeven dat dat goed mogelijk zou zijn.

Er is door de jaren heen dan ook veel onderzoek gedaan naar het verschil tussen de twee soorten vragen. In 1989 promoveerde Robbert-Jan Beun op een proefschrift waarin hij uitwerkte wanneer sprekers in het Nederlands een declaratief gebruiken voor bevestigingsvragen, en in 2001 promoveerde Christine Gunlogson op een proefschrift waarin ze probeerde te formaliseren wat het verschil is tussen de twee in het Engels. En dit jaar nog verscheen er een artikel van Donka Farkas en Floris Roelofson waarin ze de discourseffecten van de verschillende soorten ja/nee-vragen uitwerken.

De drie genoemde theorieën komen tot soortgelijke conclusies: je gebruikt een declaratief als je een bevestigend antwoord verwacht en daar bewijs voor hebt, terwijl je een interrogatief gebruikt in een meer neutrale situatie. Recente studies in de conversatieanalyse komen veelal tot dezelfde analyse: zo stelde John Heritage in 2012 dat het verschil tussen een declaratief en een interrogatief primair zit in de kennis die de spreker ermee claimt: een declaratief gebruik je als je al vrijwel zeker bent van je zaak. (Wie een uitgebreide samenvatting van al deze theorieën wil lezen, kan zich verheugen op mijn proefschrift dat begin volgend jaar verschijnt.)

Preferentie

Woordvolgorde doet er dus absoluut toe, en we kunnen het verschil tussen mijn twee vragen niet afdoen als een onbelangrijk detail. Maar wat heeft kennis ermee te maken? Tussen mijn twee vragen door is het bewijs dat ik heb voor hoe vast de meter zat toch niet afgenomen? Ik baseerde me op wat ik daarvoor kon horen en zien, en het verleden ligt redelijk vast. Hoe kunnen kennis en bewijs er dan ook maar iets mee te maken hebben?

Mogelijk heel veel. Al in de jaren 80 toonde Anita Pomerantz aan dat wat ze preferentie noemde een belangrijke rol speelt in interactie. Met preferentie bedoelde ze niet wat mensen willen op cognitief niveau, maar wat ze willen blijkens hun interactionele bijdragen. Dat klinkt vaag, maar het is verrassend simpel. Als je een uitnodiging doet, dan heeft de hoorder twee opties: hij kan op de uitnodiging ingaan, of de uitnodiging afwijzen. Ingaan op de uitnodiging is het geprefereerde antwoord. Zelfs als je helemaal niet wilt dat de hoorder op de uitnodiging ingaat, vraag een uitnodiging wel om een positief antwoord.

Als sprekers zijn we ons tot op zekere hoogte bewust van dit concept. We geven onze taalhandelingen dus meestal vorm op basis van het antwoord dat we verwachten. Maar wat nou als we daarbij een fout maken? We stellen een vraag die aanstuurt op een ja-antwoord, het geprefereerde antwoord, maar het werkelijke antwoord zou nee zijn, een disgeprefereed antwoord. In dat soort gevallen gebeurt het regelmatig dat de hoorder geen antwoord geeft, maar suggereert dat hij of zij de vraag niet gehoord of begrepen heeft. De hoorder doet alsof, om zo de spreker de kans te geven de vraag zodanig te formuleren dat de hoorder bevestigend, dat wil zeggen geprefereerd, kan antwoorden.

Sociaal optimaal

Hoe verhoudt dat zich nou tot mijn vragen? Wat we ook vaak zien in gesprekken is dat mensen een bepaalde kennisclaim afzwakken als de hoorder niet direct een bevestigend antwoord geeft. Zo is er een prachtig dialoogje te vinden in de literatuur, waarin een spreker begint met een declaratief, vervolgens daar een tag, isn’t it?, aan toevoegt, om uiteindelijk terecht te komen op een interrogatief. En dit alles zonder dat de hoorder antwoord geeft; hij claimt alleen maar hoorproblemen. Als de hoorder dan uiteindelijk de verwachting van de spreker ontkracht, is dat minder problematisch; hij ontkracht een vrij neutrale vraag, niet een sterke verwachting.

Eenzelfde analyse zou je kunnen toepassen op mijn dialoogje. Mijn tweede vraag is zwakker, niet omdat mijn bewijs in kracht is afgenomen, maar omdat de hè? van de monteur had kunnen signaleren dat het helemaal niet goed vast zat, en mijn verwachting dus te sterk was. Dat wil niet zeggen dat ik dat bewust deed; als competent spreker van het Nederlands weet ik dat een interjectie als helemaal geen hoor- of begripsprobleem hoeft te betekenen, en pas dus automatisch mijn formulering aan.

Bewust

Nu was deze dialoog me ongetwijfeld niet bij gebleven, als ik me er niet bewust van was dat ik het deed. Voor ik mijn tweede vraag stelde realiseerde ik me wat er aan de hand was; dat ik op het punt stond een interrogatief te gebruiken na een declaratief, als reactie op de van de monteur. En dit ondanks dat er geen enkele reden was om aan te nemen dat monteur nee zou gaan zeggen. Die conventies zijn blijkbaar zo sterk, dat we ze toepassen, zelfs al weten we heel goed dat het niet nodig is. Of misschien heb ik gewoon helemaal niet zoveel toegang tot mijn eigen cognitie als ik denk, en levert zo’n verklaring gewoon een mooi verhaal op, en een reden om weer een blogje te schrijven.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.

2 reacties op Hij zat goed vast? of Zat ie goed vast?

  1. Gerard van der Leeuw schreef:

    Ik kan het niet hard malen, maar mijn gevoel zegt me dat mijn vraag:

    ‘U was toen gelukkig?’

    in feite inhoudt dat ik ervan uitgaat dat ik geloof dat de persoon aan wie ik dee vraag stel, niet gelukkig was…

    terwijl de vraag

    ‘Was u toen niet gelukkig?’

    m.i objectiever is en de aangesproken persoon eer ruimte laat…..

    Subtiele verschillen, maar toch

    • Lucas Seuren schreef:

      Maar als die persoon net heeft gezegd dat toen alles goed ging, hij een mooie baan had, een lieve echtgenoot, en prachtige kinderen, dan zou dat vast anders zijn.

      Maar ik ben het eens hoor, dat doen mensen ook zeker. En daar is genoeg bewijs voor. Context is key; dat heb ik hier inderdaad niet besproken.

Laat een reactie achter