Gedicht: Anneke Brassinga – Schrenslompen

Schrenslompen

Schrenslompen, dat doe je
in een schuurtje als het koud is.
Schrijlingse geiligheid, slompen
is sowieso al hartverwarmend
maar schrens, dat is schrijnend,
beverig, heartrending. Schr, schr,
een schrobzaagje. Met jouw armpje
tussen mijn benen, in de kou
hou ik het meest van jou. Slompen?
Een niet bestaand woord
is het beste woord voor intieme
en ultieme bezigheden binnenshuis.Wanneer het hart er werkelijk bij breekt
is er sprake van schrenslompen.
Over de grens, over de schreef,
afdwalend van taal naar emotie,
het onzegbare.
Ik mag ze wel, de woorden met ens.
‘O ja? Mens?’ Dat is wat al te bloot.
Trens, flens, een naar buiten krullend
randje aan mijn olieleiding, daar waar
die de wartel ingaat en beide zich verenigen,
een plens olie doorlaten. Die verderop
de knelkoppeling passeert. Zo zijn ook wij
mensen een samenstel van flensen
en vooral knelkoppelingen, en uiteindelijk
een pot vuur die blauwe ogen biedt
maar niet zo heel veel warmte.
Pas bij het schrenslompen wordt de gloed
verzaligend, wensvervullend.
Wie weet is wens wel het mooiste woord.
Op zich kort, maar in gedachten
oneindig groot. Neen, ik weet wel
dat schrenslompen geen werkwoord is.
Het zijn lompen die worden of zijn
geschrensd, in kleine flarden gescheurd
ter bereiding van hoogwaardig papier,
om wensen op neer te schrijven,
al dan niet schrijnende gedachten,
voortschrijdend van links naar rechts.
Maar wat zijn lompen? Net zoiets
als wensen, op zich onbruikbaar,
maar oneindig veel mogelijkheden
van verleden en toekomst behelzend.
In de allesbehelzende Elzeprop
slaap ik in lompen, schrijf ik
op lompen, verduister ik ’s avonds
de raampjes met lompenzakken.
Een prop is ook een soort lomp,
als het woord een enkelvoud bezat,
niet alleen als prop lomphoudend
geschrenslompt papier, maar ook
als onbepaaldheid, grenzeloze
identiteit. ‘Mooi’ heeft te maken
met het grenzeloze, of met dat
wat grenzen laat zien en daarmee
overschrijdbaar maakt. Mooi is meer
dan er alleen maar is, is diepte,
verwijzing naar verder. Niet dan?
Zo is Rembrandts Saul en David
in het Mauritshuis mooi niet alleen
omdat het ontroerend is
een koning te zien huilen om muziek
van een volkse harpspeler, het is ook mooi
omdat de compositie van het doek
uit lijnen bestaat die allemaal
schuin en evenwijdig lopen, als harpsnaren.
Alleen de belangrijkste snaar,
die de snaar in ons gemoed beroert
is niet afgebeeld: die van het hoofd
van de luisterende vorst naar het hoofd
van de muzikant. Dat is het meer
dat mooi is: er zijn lijnen als harpsnaren
gespannen, sommige onzichtbaar
en de rest is duisternis. De vorst
(in weelderige lompen gehuld) overschrijdt
de grens van het doek doordat hij ons aan-
kijkt, nietsziend, met zijn schreiend oog,
bol en verdwaasd. Als men daarvan niet
aan het schrenslompen slaat…
Vertwijfeld met de armen slaand verdrinkend
in een vloed, een vlammenzee
van verdwazende maar niet echt
beangstigende emoties. Daarbij worden
aan flarden gescheurd
de alledaagse driften, ze worden
tot gloeiende lompen in donkere nevel.
Rembrandt brandt in mijn herinnering:
ver over de grens, in de slompen
van de blauwogige vuurpot, ver, ver
voorbij elke knelkoppeling.
Schreiend staat men vaak
op de grens van angst en vrijheid.
Als een mens in lompen
die niet in de afgrond wil vallen
maar ook niet wil stikken
in een veilig hol. De nacht
is het embleem daarvan – grenzeloos
maar ondoordringbaar als een muur.
Daarom is schrenslompen ’s nachts
dubbel genot. Een grote reis, eenzaam
maar niet alleen. Sloop uw grenzen!
Slomp uw schrenzen! Schrijlings
zult u reizen naar ’s herrijzenden dags
zengende, zingende zon. Zondeloos
verzinnelijkt het eens zo kille innerlijk.

Anneke Brassinga (1948)
uit: Landgoed (1989)

 

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.