Ach, toen brak mijn hart natuurlijk niet

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (152)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Een lentemorgen trad je uit ons huis,
In een dun bloesje, zonnig en tevreden
En geen van beiden hoorde ’t zacht geruisch
Of zag de vale schaduw neergegleden
Van ’t noodlot wiekend boven ’t jonge hoofd,
Dat glimlachend zich nog eens naar me wendde……

Ik heb een ganschen nacht en dag geloofd,
Dat ik die vlotte, lichte tred herkende
En toen niet meer. Toen kwam het formulier
Met naam en stempel, nummer van barak,
Verzoek om warme kleeren. Ach, toen brak
Mijn hart natuurlijk niet. Mijn oogen zagen
Jou ergens ver, heel ver, aan een rivier
Van Babylon de slavenketen dragen

(J. Presser)

Over sommige onderwerpen kun je misschien alleen schrijven door je slecht uit te drukken. Een van de bekendste sonnetten dat tijdens de Tweede Wereldoorlog werd geschreven is dit, van de bekende historicus Jacques Presser. Na de oorlog zou hij het indrukwekkende Ondergang schrijven, een historisch werk waarin hij zakelijk de verschrikkingen uiteenzette.

Clichés

Dit sonnet schreef hij juist tijdens de oorlog – het verscheen op verschillende plaatsen clandestien, en werd dan voorafgegaan door een korte prozatekst:

Een Joodsche vrouw, innig gelukkig getrouwd, gaat uit… keert niet weer. Razzia, opgepakt, Westerbork, Polen. Haar man, geen ‘dichter’ tracht uitdrukking te geven aan zijn verdriet:

Die prozatekst is al even onbeholpen als het gedicht zelf. Dat er aanhalingstekens om ‘dichter’ staan, maakt duidelijk dat de schrijver geen dichter is. Het gedicht wordt gekenmerkt door allerlei clichés, vooral dat met dat zacht geruisch en die vale schaduw.

Beitelen

Maar dan vallen ineens, plompverloren, de ondichterlijke woorden formulier en barak. En dan de aangrepende zin ‘Ach, toen brak / mijn hart natuurlijk niet’, die je hart doet breken, juist doordat hij ontkent dat het gebeurt. En dan het begin met dat volkomen onschuldige ‘dunne bloesje’ (het feit dat het de dichter opvalt dat het bloesje dun is: dat is een beetje ironisch, en tegelijkertijd maakt het ’t latere verzoek om warme kleren zo veel verschrikkelijker.) En dan de ijdele hoop van de dichter aan het eind: zijn vrouw, ach, ze is Joods, en ze ondergaat nu eenmaal wat Joden al duizenden jaren ondergingen, slavernij in Babylon, en ook dat zal ze wel weer overleven.

Terwijl erboven in proza de werkelijke gang van zaken al is opgesomd: razzia, opgepakt, Westerbork, Polen. Premier Rutte haalde het gedicht dit jaar aan bij de Holocaust-herdenking en was nog wat specifieker: “6 dagen na haar arrestatie stierf Debora Appel in de gaskamers van Sobibor.”

Het feit dat het niet zo’n goed gedicht is, draagt enorm bij aan het effect ervan. Het gedicht is weliswaar metrisch vrij regelmatig, maar zelfs dat wordt aan het eind verbroken. Zoals de typografische indeling omgekeerd is aan die van een ‘gewoon’ sonnet: eerst zes regels en dan acht. Het geheel maakt de indruk zomaar op papier te zijn gezet; en het kan ook bijna niet anders, omdat je je niet kan voorstellen dat een jonge man van wie de vrouw is weggehaald vervolgens aan een fraai sonnet gaat zitten beitelen. Daar had schoonheid haar gezicht verbrand.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Ach, toen brak mijn hart natuurlijk niet

  1. Ides Callebaut schreef:

    Een heerlijke analyse

Laat een reactie achter