Peutertaalbeleid

Door Leonie Cornips

Tijdens het streektaalsymposium, georganiseerd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken in Deventer, heb ik gepleit voor een taalbeleid voor peuterspeelzalen in Limburg. Hoe ben ik tot dit advies gekomen? (Groot)ouders vertellen: ‘Ons kind weigert sinds de peuterspeelzaal Limburgs te spreken, ook al houden we thuis Limburgs aan.’ Juist peuterspeelzalen, veel meer dan basisscholen, blijken het spreken van een regionale taal een halt toe te roepen. Ook elders in Europa is dat zo. Uit het onderzoek van Gino Morillo Morales, uitgevoerd aan het Meertens Instituut en Radboud Universiteit, is inmiddels wel duidelijk wat er aan de hand is. Op de peuterspeelzaal leren peuters snel de sociale betekenis van het gebruik van Limburgs en Nederlands. Nederlands betekent dat je moet opletten als peuter, dat je instructie krijgt, dat je in een hiërarchische relatie staat met je leerkracht en dat je iets nieuws aan het leren bent wat belangrijk is. Het Nederlands heeft ook een centrale plek: in de kringgesprekken midden in het lokaal. Het Limburgs daarentegen legt een informele een-op-een relatie tussen peuter en leerkracht waarbij andere kinderen de leerkracht mogen negeren want het gebruik van het Limburgs is niet bedoeld om schoolkennis over te dragen. Het Limburgs heeft vaker een marginale plek: in de gang en op de speelplaats. Deze sociale betekenis van taalkeuze tussen Nederlands en Limburgs op de peuterspeelzaal, is funest voor de doorgifte van Limburgs aan de jongste generaties.

De interpretatie van het spreken van Limburgs en Nederlands is historisch bepaald. Vanuit een rationele visie zijn peuterspeelzalen instituties die het Nederlands verspreiden en voor kinderen mogelijkheden creëren om hogerop te komen. De peuterspeelzaal kiest voor Nederlands omdat het idee is dat communicatie in deze variëteit in het hele land met iedereen probleemloos verloopt simpelweg omdat het geografisch en sociaal een neutrale variëteit zou zijn. Volgens dit idee overkoepelt het Nederlands alle dialectgebieden en behoort het niemand toe. Door het Nederlands kan een peuter dus participeren met en zich emanciperen in de wereld van leren, politiek en hogere cultuur.

De romantische visie laat ons weten dat taalvariatie een realiteit is. Het Limburgs drukt rechtstreeks de essentie van een gemeenschap of van sprekers uit en met het spreken ervan laat iemand weten een authentieke Limburger te zijn.

Het wordt tijd om het goede van beide visies te behouden en datgene op te heffen dat belemmerend werkt voor de overdracht van het Limburgs aan de jongste generaties. Enerzijds kan dat door te beseffen dat het Nederlands helemaal niet zo geografisch neutraal is. Ook het Nederlands in Limburg is volgens velen niet het goede Nederlands zoals dat van de Randstad en belemmert het op nationaal niveau een soepele communicatie. Het Nederlands is ook sociaal niet neutraal want scholen bevorderen meestal die leerlingen die thuis al bekend zijn met het goede Nederlands. Anderzijds kan het spreken van Limburgs losgekoppeld worden van een claim op authentiek Limburgerschap. Ook nieuwkomers kunnen prima het Limburgs leren en spreken.

Wat L1 Nieuws verleden week meldde over de leerkrachten van de peuterspeelzalen klopt helemaal niet. De leerkrachten staan zeer positief tegenover het spreken van Limburgs in de peuterspeelzaal maar hebben hiervoor ondersteuning nodig. Voor de peuterspeelzaal is mijn advies, geïnspireerd door het taalbeleid in Friesland: voor iedere groep peuters staan twee gelijkwaardige leerkrachten. Een leerkracht spreekt altijd in elke activiteit Nederlands, de andere spreekt altijd in elke activiteit Limburgs. Deze gelijkwaardigheid in gebruik van beide talen moet de hiërarchie tussen Limburgs en Nederlands op de peuterspeelzalen doorbreken. Nog mooier zou het zijn als alle thuistalen van de peuters het leren van nieuwe kennis zouden (mogen) ondersteunen.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter