Nawoord bij de editie van Palmerijn van Olijve

Door Willem Kuiper

Ooit heb ik ervoor gepleit dat bibliotheken een klein deel van hun digitaliseringsbudget zouden reserveren voor aanvragen van individuele onderzoekers. Een jaar of twee later kreeg ik een formulier onder ogen, waarin de KB Den Haag persoonlijke wensen voor digitalisering inventariseerde. Je mocht er vijf opgeven. Heb ik gedaan. Vier van mijn verzoeknummers werden om reglementaire redenen afgewezen, maar het vijfde werd toegekend: Palmerijn van Olijve.

Toen ik in 1969 Nederlands ging studeren aan de UvA was er net een begin gemaakt met een nieuwe editie van het verzameld werk van Gerbrand Adriaenszoon Bredero (1585-1618). Het eerste deel in deze nieuwe reeks was Rodd’rick ende Alphonsus, ingeleid en toegelicht door C. Kruyskamp, Zwolle 1968. Achterin het boek drukte Kruyskamp de tekst af van “het volksboek” (p. 205-237). Ik heb dat boek (alsook de volgende delen) in 1970 gekocht en met plezier gelezen voor mijn literatuurlijst Renaissance. Naarmate de reeks vorderde, las ik dat Bredero ook voor Griane en De stomme ridder uit deze Palmerijn-roman geput had. Dat boek moest volgens de inleiding(en) razend populair geweest zijn in die dagen. Des te vreemder dat er geen editie van bestond …

 Literatuur wordt binnen de Historische Nederlandse Letterkunde ruwweg opgedeeld in primaire en secundaire literatuur. Onder primaire literatuur verstaat men de oorspronkelijke Nederlandstalige teksten die in het verleden geschreven en gedrukt zijn, onder secundaire literatuur de moderne teksten die over of naar aanleiding van die oude teksten gepubliceerd zijn. Mijns inziens zou hier een derde categorie aan toegevoegd moeten worden: teksten die gelezen werden door de mensen die leefden in de periode die men bestudeert. Die boeken zijn anderstalig of vertalingen in het Nederlands, de eerste voor velen onleesbaar, de laatste literaire stiefkinderen.

De zestiende eeuw is als literaire eeuw in de Nederlanden voor een deel nog terra incognita. Er is een grote instroom van Franse, Italiaanse en Spaanse literatuur, die al dan niet in vertaling aantoonbaar haar weg naar de lezers in de Lage Landen gevonden heeft. Wij hebben soaps op de televisie, zestiende- en zeventiende-eeuwers lazen de Amadijs van Gaulen-reeks of de Palmerijn-cyclus. Maar wij lezen die niet … Wij lezen Bredero, maar niet of nauwelijks de boeken die Bredero las. En daar moet verandering in komen.

Historische letterkunde is duursport. Elke dag primaire teksten lezen is een noodzakelijke investering in kennis en begrip. Daarbij maakt het gek genoeg nog niet eens zo veel uit welk oud boek je leest, omdat je na een paar bladzijden al iets tegenkomt waar je interesse door gewekt wordt. Het is als met onderzoek: je vindt niet gauw iets dat je zoekt, maar heel vaak iets dat je ook zocht.

Ik vond het niet alleen komisch maar vooral tragisch dat ik, middeleeuwer met belangstelling voor de ontwikkeling van de laat-middeleeuwse ‘wijdlopige’ ridderroman, erachter moest komen dat Rodd’rick ende Alphonsus weliswaar in de Nederlandse vertaling van Palmerijn van Olijve staat, maar niet in het Spaanse origineel en de Franse vertaling daarvan. Pogingen om contact te maken met collega’s aan gene zijde van de Pyreneeën om de bron van dit, gelet op de eigennamen, toch vermoedelijk van oorsprong Spaanse verhaal te achterhalen, liepen op niets uit. Een heel nare eigenschap van (sommige) wetenschappers: niet reageren als men het antwoord niet weet.

Inmiddels blijf ik nog altijd reuze benieuwd naar de identiteit van de Palmerijn-vertaler. En niet alleen naar die van de Palmerijn-vertaler. Zo’n beetje al onze laat-middeleeuwse prozaromans zijn vertaald door auteurs, wier namen wij niet kennen. Hun schrijftafel zal vooral in Antwerpen gestaan hebben. Die van de Palmerijn-vertaler, naar ik nog altijd vermoed, in Amsterdam. Het is mij bekend dat er stylometrisch onderzoek naar Palmerijn van Olijve gedaan wordt, en ik hoop dat dit onderzoek met voldoende zekerheid een auteur zal aanwijzen.

Die Palmerijn-vertaler moet een gestudeerd man geweest zijn, met een klassieke opleiding. Hij vertaalt zelfbewust en zelfverzekerd, vrij en creatief, niet vies van erotiek en zinvol geweld, en met mythologie als hobby. Opvallend is dat hij anticipeert. Dat gedrag ken ik niet van andere vertalers. Normale vertalers lezen niet vooruit. De Palmerijn-vertaler las wél vooruit. Misschien had hij het boek al in zijn geheel gelezen, voordat hij aan zijn vertaling begon. Meer dan eens wijzigt hij de volgorde van zinnen of alinea’s om redenen die niet altijd even duidelijk zijn, maar die wel bewijzen dat hij over voldoende overzicht beschikte om de draad van het verhaal niet kwijt te raken.

Palmerín de Oliva is het eerste deel van een cyclus van 8. Het volgende deel is Primaléon, (Primaleon van Griecken in de Nederlandse vertaling) eveneens geschreven door Francisco Vázquez en verschenen in Salamanca 1512. Op Google Books vond ik de Franse vertaling: L’Histoire de Primaleon de Grece continuant celle de Palmerin d’Olive, empereur de Constantinople son pere, naguere tirée tant de l’Italien comme de l’Espagnol, et mise en nostre vulgaire par François de Vernassal Quercinois, van dezelfde drukker als die ik gebruikt heb voor de Franse tekst van Palmerin d’Olive, Estienne Groulleau, Parijs 1550. De iets oudere druk van Jeanne de Marnef, weduwe van Denys Lanot, Parijs 1546, kwam mij te laat onder ogen. Deze druk zal het voorbeeld van Estienne Groulleau geweest zijn. Diens herdruk is identiek op een paar extra zetfouten na. Waar ik twijfelde heb ik sindsdien altijd de druk van Jeanne de Marnef geraadpleegd.

Hopelijk hoeven wij niet al te lang te wachten totdat ook Primaleon van Griecken gedigitaliseerd is, en indien enigszins mogelijk wat gebruiksvriendelijker dan Palmerijn van Olijve. Op te veel bladzijden zijn in de linkerkolom van de recto-zijden letters weggevallen, ofwel omdat er te zuinig gezet is, ofwel omdat het boek te strak gebonden is, ofwel omdat er (te) nonchelant gescand is. Ik heb hier een keer over geklaagd bij de conservator Marieke van Delft, maar die heeft mij met de hand op het spreekwoordelijke hart verzekerd dat de firma ProQuest, die dit boek in 2011 gedigitaliseerd heeft, dit niet beter had kunnen doen. Ik geloof haar op haar woord, maar de afgelopen jaren heb ik heel veel gedigitaliseerde boeken uit die periode op mijn beeldscherm voorbij zien komen, en ik heb geen ander boek gezien dat met zoveel tekstverlies gescand was.

Het tweetalig editeren van Primaleon van Griecken laat ik graag aan jongere (aspirant) collega’s over, evenals de delen 3 tot en met 8 van deze cyclus. Het is een hoop werk, maar het is bijzonder leerzaam. En in de vorm van een feuilleton is het zowel voor de editeur(s) als voor de lezers behapbaar. Dat tweetalig editeren is volgens mij absoluut noodzakelijk voor een goed begrip van tekst én vertaling. Palmerijn van Olijve volgt weliswaar getrouw het verhaalverloop van de Franse brontekst, maar het aantal kleine en grote afwijkingen is talloos: hetzelfde verhaal maar vaak anders verteld. En ik vermoed dat de Franse brontekst op een vergelijkbare manier afwijkt van het Spaanse origineel. Het wachten is op een Guillaume Tonnelier die de Franse vertaling synoptisch kritisch met de Spaanse brontekst editeert.

Wie meer wil weten van de (literaire) normen en waarden van onze voorouders kan schatgraven in vertaalde romans als Palmerijn van Olijve: Wat werd weggelaten? Wat werd toegevoegd? Wat werd veranderd (door onbegrip, smaak of censuur)?

Ten slotte wil ik, ook uit naam van alle lezers, mijn intense dankbaarheid uitspreken aan Ingrid Biesheuvel en Tatiana-Ana Fluieraru. Ingrid Biesheuvel heeft het overgrote deel van de lang niet altijd even prettig leesbare gedigitaliseerde druk van Jan Janszen, Arnhem 1613, afgeschreven. Ook heeft zij gaten in de editie als gevolg van weggevallen letters op de scans door autopsie gedicht. Tatiana-Ana Fluieraru (Universitatea Valahia din Târgovişte, Roemenië) heb ik leren kennen door mijn feuilleton-editie van het eerste boek van de Vergaderinge der historien van Troyen. Beiden zij wij gecharmeerd van het werk van Raoul le Fèvre. Samen met haar studenten Georgeta Magdalena Bondac, Alexandra Goran, Niculina Rădoi-Văduva, Ioana Claudia Radu en Nicu Mihail Tănase heeft zij de Franse brontekst voor het overgrote deel afgeschreven. Natuurlijk heb ik al hun afschriften gecollationeerd naar de facsimile edities, en mocht er een fout in de editie staan dan ben ik alleen daarvoor verantwoordelijk.

Dank ook aan Tineke Groot, Jeroen Jansen en Jelle Koopmans. Tineke Groot leende mij haar exemplaar van de Spaanse brontekst uit en heeft voor mij gecorrespondeerd met Spaanse collega’s. Jeroen Janssen hielp mij als ik het zeventiende-eeuws van Jan Janszen niet goed genoeg begreep, en Jelle Koopmans deed dat als een passage in de Franse brontekst mij onvoldoende duidelijk was.

En nu ik toch bezig ben, dank ook aan het VUmc, met name de afdelingen KNO, MDL, Oncologie en Radiotherapie en speciaal de laboranten die zes weken lang elke werkdag en soms twee keer op een dag mijn hals en keel bestraald hebben. Met succes. De tumor heeft het niet overleefd. Ik wel.

Ik besluit met een spreuk die ten tijde van Jan Janszoon, drukker te Arnhem, vaak onder een voltooide tekst geschreven of gedrukt werd:

Finis coronat opus

 

Dit bericht is geplaatst in edities, letterkunde met de tags , . Bookmark de permalink.