In een bedompt zaaltje ik

Door Marc van Oostendorp

Ik stond vorige week in de krant! Althans, je moest wel even zoeken, maar dan vond je me daar toch prominent genoemd worden in onze regionale krant, De Gelderlander:

Een Nationaal Taaldebat, dat roept een beeld op van een bedompt zaaltje vol vergrijsde taalpuristen die praten over de verloedering van onze moedertaal en een hoogleraar die zegt dat verandering inherent is aan een levende taal. Gaap.

In het zaaltje was het ook al zo. Ik begon te vertellen – niet dat verandering ‘inherent is aan levende taal’ natuurlijk, want ik zou ‘inherent’ niet zo snel zeggen en de metafoor van een ‘levende taal’ is grote onzin, een taal is geen plant of beest. In plaats daarvan zei ik dat het klagen over taalverandering van alle tijden was.

Elma Drayer, een journaliste van de Volkskrant, had namelijk net haar gevoel op tafel gegooid dat de Nederlandse taal ten onder aan het gaan was. Zij begon trouwens ook meteen te snuiven toen ik dat vertelde, over die klachten. “Dat zeggen taalkundigen altijd!” riep ze zelfs.

Kruik

Dat is dus kennelijk een valide argument, dat wetenschappers allemaal hetzelfde zeggen – een argument tegen die wetenschappers, die het wagen met zijn allen iets te zeggen dat mevrouw Drayer niet bevalt.

Dat die klachten van alle tijden zijn, valt eenvoudig aan te tonen. Er is geen periode in de geschiedenis te vinden waarin mensen volkomen tevreden waren met hoe de jeugd sprak. De relevantie daarvan als iemand zegt dat het allemaal nu zo erg is, lijkt me ook duidelijk: het gaat er niet om dat jongeren nu het spreekwoord ‘de kruik gaat zo lang te water tot hij barst’ ineens niet meer kennen.

Stil

Heel veel meer valt er ook eigenlijk niet te zeggen, in ieder geval niet vanuit een wetenschappelijk oogpunt. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat jongeren zich onderling niet verstaanbaar kunnen maken, en zelfs niet dat ze voor mensen uit andere generaties onbegrijpelijk zouden zijn. Ik daag iedereen uit om mij één in Nederland geboren en getogen jongere aan te wijzen met wie ik, als grijzende heer, geen gesprek kan voeren.

De klacht is dus ongegrond. Het enige interessante ervan is dat hij een ervaring beschrijft die de mens, qua ‘levend wezen’, kennelijk al duizenden jaren heeft.

Surrogaatmoeder

Het is natuurlijk vervolgens ook weer interessant dat die constatering zoveel irritatie oproept. Dat iemand als Drayer niet wordt aangespoord om haar eigen klachten te relativeren. Ook dat hoort waarschijnlijk al bij taal: ergernis over mensen die niks willen doen aan het verglijden van de tijd, omdat de klok nu eenmaal niet stil valt te zetten.

Ik snap die irritatie in zekere zin wel, althans, ik kan hem ongeveer invoelen. Je ziet om je heen de wereld naar de verdoemenis afglijden en dan is het natuurlijk irritant als de mensen die ervoor doorgeleerd hebben almaar zeggen dat er eigenlijk niet zoveel aan de hand is.

Ik weet alleen niet hoe ik die zorg moet weghalen als iemand zich eraan vast klampt als een aapje aan het metalen skelet dat hem als surrogaatmoeder is aangeboden. Je kunt natuurlijk ook heel bezorgd gaan kijken en zeggen dat als men maar genoeg geld in taalwetenschappelijk onderzoek stopt er vast wel iets aan te doen is.

In die zin siert het ons als beroepsgroep toch wel dat we die suggestie nog nooit hebben gedaan. Waar men in andere vakken voortdurend enorme bakken geld binnensleept om allerlei problemen op te lossen waar niemand grip op heeft, zit er ons niets anders op dan de ondankbare taak te aanvaarden om steeds maar weer uit te leggen dat er niets te doen is aan de zich almaar voortslepende tijd.

Gaap!

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags . Bookmark de permalink.

18 reacties op In een bedompt zaaltje ik

  1. Lucas schreef:

    Als wetenschappers het altijd zeggen dragen we onze boodschap blijkbaar niet goed uit. Al ligt dat mogelijk ook aan de manier waarop het onderwijs werkt, waarbij vanaf dag 1 kinderen wordt aangeleerd dat het Nederlands niet meer is dan haar geschreven grammatica. Het is lastig om ze dan op latere leeftijd uit te leggen dat schrift niet zoveel met taal te maken heeft.

    • HC schreef:

      Nu ja, het onderwijs alweer. Met alle respect, wat kunnen jullie in Nederland een stukje zaniken over wat het onderwijs wel of niet zou doen! Het lijkt me bepaald niet fair om te stellen dat “vanaf dag 1 kinderen wordt aangeleerd dat het Nederlands niet meer is dan haar (sic) geschreven grammatica”. Leren spellen en schrijven is natuurlijk niet onbelangrijk, dus die link kun je bij kinderen op dat moment moeilijk vermijden. Blijft dat zo? Ik zou denken van niet. Althans, het is niet wat mijn ervaring mij vertelt. Een van de eerste dingen daarvan is dat zulke ongenuanceerde uitspraken geen recht doen aan de complexiteit van de werkelijkheid. Het zijn trouwens vaak diegenen die mijlenver van het onderwijs staan of die zijn blijven steken in hun basisschoolbankenervaring die halsstarrig het idiote idee (blijven) verkondigen dat je taal kennen gelijkstaat met je taal correct kunnen spellen, en dat laatste komt dan bijna obligaat neer op: geen dt-fouten schrijven. Dat is een opvatting die in de maatschappij nadrukkelijk aanwezig is en die leraren telkens opnieuw proberen tegen te gaan. Maar ja, als ze het moeten blijven zeggen, dragen ze hun boodschap blijkbaar niet goed uit. Misschien ligt dat wel aan de wetenschappers die …

      • Lucas schreef:

        Altijd leuk dat als mensen het anglicisme ‘met alle respect’ gebruiken, het direct volgende alles behalve respectvol is, net als in het Engels.

        Ik heb tot ver in middelbare school bij het vak Nederlands vooral grammatica moeten leren. Lezen en schrijven zijn geen Nederlands, dat zijn algemene vaardigheden die je niet nodig hebt om taalvaardig te zijn.

        En juist dat laatste is het onderwijs gewoon niet primair (of secundair) mee bezig. Taal in zijn natuurlijke vorm, het gesprek, is voor mij in het basisonderwijs en middelbaar onderwijs geen onderdeel van het curriculum geweest. Als het onderwijs zich niet richt op de meest basale vorm van taal, dan is het niet verrassend dat mensen een verkeerd beeld hebben van wat taal is. Dat ze het verbinden aan schrift en die regeltjes en rijtjes. En denken dat verandering slecht is, want ze zijn een normatief beeld aangeleerd.

        Dat we kunnen zeiken wil niet zeggen dat we geen recht van spreken hebben. De gebrekkige kennis bevestigt gewoon dat het slecht gesteld is met het onderwijs. De falende examens, zoals Marc van Oostendorp een half jaartje terug weer betoogde hier, zijn een ander voorbeeld.

  2. Jos Houtsma schreef:

    Je moet natuurlijk zeggen dat het juist hartstikke leuk is en interessant dat de taal voortdurend verandert.
    Maar dat doe je vast ook.

    • Ik weet niet eens of ik het ‘leuk’ vind dat de taal voortdurend verandert (‘interessant’ in ieder geval wel). Ik kan in zekere zin naarmate ik ouder wel ongeveer navoelen hoe naar het is dat het gebeurt, dat er allerlei jongere mensen komen die anders praten dan jij en je zo duidelijk maken dat je er steeds minder bijhoort. Maar er is ook niets aan te doen. “Voor 
klachten en reclames moet je je maar, met medeneming van 
de bon, bij God Zelf vervoegen”, zoals Gerard Reve schreef.

  3. Elma en de Gelderlander hebben natuurlijk een punt, die taalprofessor die zegt dat het nu eenmaal zo is, komt ALTIJD het podium op. Er zijn geen conservatieve taal- of cultuurgeleerden in Nederland. Maar de marcvanoostendorpen zouden net zo goed WEL kunnen pleiten voor een taalnorm, zioals dat in de Angelsaksische wereld en in Duitsland ook gebeurt. Daar gelden bepaalde formuleringen als voorbeeldig. Wat is daar verkeerd aan? Waarom zouden we niet tenminste een beetje kunnen proberen te klinken zoals in 1937?

    • Peter-Arno Coppen schreef:

      Wat is daar goed aan, zou je ook kunnen vragen. Of: waarom zouden we niet tenminste een beetje moderner kunnen klinken dan in 1937?

    • U lijkt te denken dat ik voor taalverandering ben; dat is niet het geval. Wanneer we taalverandering konden tegenhouden, en de tand des tijds ook anderszins konden afstompen, was mij dat een lief ding. Ik denk dan ook niet dat ik in deze zaken speciaal progressief ben: taalverandering is zelden of nooit een verbetering, ook al is het objectief gezien net zo min een verslechtering. (Zie ook mijn antwoord aan Houtsma hierboven of Coppen hieronder.)

      Het is anders: er is geen enkel onderzoek waaruit blijkt dat strenge taalnormen taalverandering tegenhouden of vertragen. Als u dat denkt, moet u maar eens voor de aardigheid Theresa May vergelijken met een Brit (Churchill) uit 1937. Die taalnormen werken niet voor het door u gewilde effect. Er zijn geen maatregelen die je van bovenaf kunt nemen die de loop van de taal noemenswaardig veranderen.

      De enige bekende factor in het bevorderen van taalverandering zijn mobiliteit en het aandeel van tweedetaalverwervers aan een gemeenschap. Wanneer we graag willen dat de taal niet verandert, moeten we het reizen binnen het Nederlandse taalgebied aan banden leggen en anderstaligen verbieden om Nederlands met ons te spreken. Ik ken inderdaad geen taalkundige die daarvoor pleit. Men kan dat inderdaad zien als betreurenswaardig gebrek aan conservatief taalkundig engagement, maar ik noem dat realisme. Het staat u vrij bij de partij van uw keuze te pleiten om dit punt in het volgende verkiezingsprogramma op te nemen.

      Ik herhaal daarom mijn punt uit mijn stukje: het zou makkelijk zijn om het soort pleidooien de wereld in te slingeren zoals u verlangt. Je maakt er allerlei vrienden mee, haalt nog wat geld op bovendien. Met de hele tijd marcvanoostendorpen schiet je wat dit alles betreft weinig op. Ik ben daarom trots op een beroepsgroep die zich niet verlaagt tot het doen van voorstellen waar niemand bij gebaat is.

      • @Marc, Peter-Arno,
        Een voorbeeld van taalconservatisme is de vaste slotzin van Marianne Thieme, ‘voorts zijn wij van mening dat er een einde moet komen aan de bio-industrie’. Niet alleen het woord ‘voorts’ wordt hier gekoesterd, maar de zin is ook een allusie op een tekst van een paar duizend jaar oud.

        Het doorgebruiken van oude vormen helpt bij wat de filosoof Richard Rorty ‘achieving our country’ noemde. Het helpt om samen een land te worden en smeedt ook internationale banden. We vonden Obama sympathiek omdat hij Cicero navolgde en zo de wereld omarmde.

        Het is ook geen bij voorbaat verloren wedstrijd. Het herhalen van klassieke voorbeelden volstaat om navolging te krijgen. Ik heb het dan heus niet over het handophart meezingen van het Wilhelmus en het staat wat mij betreft los van politieke kleur. We zouden denk ik een beter land worden wanneer het arceren van de toendra’s op school zou worden ingeruild voor bijvoorbeeld lessen Middelnederlands.

        • Naar mijn gevoel hebt u het hier over iets anders dan over taalverandering, als wel over het koesteren van een bepaalde taalcultuur, voor in bepaalde toespraken (uw voorbeelden gaan beide over politiek, maar men zou dat kunnen uitbreiden tot het hele publieke leven). In het dagelijks leven spreekt Marianne Thieme niet erg anders dan de mensen om haar heen, en haar kinderen niet erg anders dan de kinderen in hun klas. In het openbare leven koesteren ze daarentegen een bepaalde norm. En m.m. geldt dit ook voor Obama.

          Ik heb geen enkel bezwaar tegen dergelijk taalgebruik en kan dat als privé-persoon ook bewonderen (even los van de voorbeelden die u noemt). Een mens zou eventueel kunnen betreuren dat dit grotendeels is losgelaten (althans in Nederland – naar mijn indruk is dat loslaten momenteel gaande in Vlaanderen, en dat leidt daar tot allerlei discussie). Het verdwijnen van die norm houdt anderzijds waarschijnlijk verband met de democratisering die de samenleving de afgelopen honderd jaar heeft doorgemaakt, en dat zou men ook als een groot goed kunnen beschouwen.

          In ieder geval kan ik er denk ik wetenschappelijk weinig uitspraken over doen, behalve erop wijzen dat het strikt genomen iets anders is dan bijvoorbeeld het veranderen van de uitspraak van individuele klinkers of van zinsbouwconstructies. Wat de twee soorten verandering wel met elkaar gemeen hebben is dat ik geen idee heb wat je er tegen zou kunnen doen, gesteld dat je dat zou willen en niet bereid bent tot het instellen van een autocratisch regime. Het gaat hier om zeer persoonlijke beslissingen die mensen nemen, en als zij zelf de esthetiek niet zien van verwijzingen naar Cicero, kan men hen er ook niet toe dwingen.

          • @Marc, mijn voorbeelden waren inderdaad off-topic, excuses. Maar ook wat betreft zinsbouw, woordkeuze en uitspraak kan het onderwijs invloed uitoefenen, zoals het ook nu al doet. Het zou bijvoorbeeld mogelijk zijn om de polderuitspraak tegen te gaan of om ‘groter als’ door te voeren als norm.

            De ‘autocratie’ kan toch plaatsvinden met welwillende samenspraak? Het onderwijs kan een vrijblijvend ‘hoe heurt het eigenlijk’ doceren. Zo krijg je vriendelijk conservatisme.

          • Nee, het heeft geen zin om beroep te doen op het onderwijs. Mensen leren hetbsoort zaken dat u noemt primair in de eerste jaren van hun leven, voor ze naar school gaan. Dat is hun taal.

            In het verleden en in het buitenland is wel geprobeerd is om kinderen te leren in het openbaar zo te praten als ze van huis uit geweld zijn. Dat kan misschien een beetje werken wanneer je ze kunt voorspiegelen dat ze daar baat bij hebben, maar ik zie daar geen argumenten voor. De kinderen hebben evident baat bij het ontwikkelen van hun taalvaardigheid, maar dat is wat anders dan proberen archaïsch te spreken, hoe aantrekkelijk voor in of mij dat ook klinkt.

  4. Peter-Arno Coppen schreef:

    De uitspraak dat ‘taalkundigen dat altijd zeggen’ is in zekere zin van dezelfde orde als de uitspraak ‘dat het klagen over taalverandering van alle tijden is.’ Je suggereert dat er iets mis is met wat de ander zegt, vermoedelijk omdat je suggereert dat mensen elkaar gedachteloos napraten. Jij reageert op de opmerking van Elma Drayer met het ‘tegenargument’ dat er dus wel iets in zal zitten als taalkundigen dat altijd zeggen, zij had op haar beurt de uitspraak dat klagen over taalverandering van alle tijden is kunnen ‘weerleggen’ door te stellen dat er dus wel iets in zal zitten als die klachten aanhouden. Beide uitspraken frustreren een discussie, die zo niet op gang komt.

    Volgens mij kun je beter de klacht zelf proberen scherper te krijgen. Wat is er ergerlijk aan taalverandering? Voorbeelden graag! En waarom is dat erg? Of voor wie is dat erg? Misschien kom je dan ook wel uit op de constatering dat ook ergernis “erbij hoort,” maar dat is iets anders dan dat aan het begin als een molensteen om de nek van het gesprek te leggen.

    • Laat me vooropstellen dat volgens mij alle manieren om deze kwestie te benaderen welkom zijn. Ik weet ook niet precies hoe het moet. Maar de benadering die je hier voorstelt, met de ‘tegenstander’ op een socratische manier in gesprek gaan, werkt volgens mij niet.

      In de eerste plaats ben ik Drayers psycholoog niet, die voor haar moet gaan uitzoeken waarom zij zich laat leiden door haar gevoelens in plaats van – ze is per slot van rekening een soort intellectueel – die zelf eens rationeel te analyseren. In plaats daarvan heeft ze kennelijk al tal van keren gehoord dat deskundigen er anders over denken, en heeft ze nog nooit zelf besloten dat ze dan misschien eens over haar ongenuanceerde standpunt moet nadenken.

      Daar komt bij dat het helemaal de vraag niet is wat er erg is aan taalverandering. Niemand vindt taalverandering echt leuk, ik ook niet. Het is een teken dat je oud wordt en er niet meer bij hoort, en dat is geen pretje. dat is ook de reden dat iedereen al eeuwen klaagt, niet omdat men elkaar napraat: het is een deel van de menselijke conditie. en wat we weten is dat er niets aan te doen is; dat ook de Académie française in de praktijk geen succes heeft geboekt. Misschien is een beter antwoord aan die mopperaars dan ook wel om eens te vragen wat ze dan denken eraan te gaan doen,

      In het geval van een radiodebat met vier mensen aan tafel is er geen tijd om uitgebreid met je gesprekspartner haar diepere zieleroerselen te gaan analyseren. En eerlijk gezegd heb ik ook daarbuiten er niet altijd tijd voor. Iemand die zulke dingen zegt en zich desalniettemin als neerlandicus afficheert (dat is hier geloof ik het geval) is een schande voor het vak.

      Overigens lijkt het argument dat jij Drayer in de mond legt, hoe spitsvondig ook, makkelijk te weerleggen. Uit het feit dat mensen al duizenden jaren klagen over verandering volgt niet dat ze *dus* gelijk hebben. Integendeel: als al die mensen al die duizenden jaren gelijk hadden, konden we nu alleen nog woeste kreten slaken.

  5. Rutgerius44 schreef:

    Dat de Nederlandse taal verandert, daar kun je als individu die die taal spreekt, niets aan veranderen. Ik ben me dan ook in de loop der tijden er steeds minder aan gaan ergeren. Maar wat veel erger is: Nederlanders, en in hun kielzog ook Vlamingen, gebruiken steeds meer Engelse woorden en uitdrukkingen en er is een soort mengsel van Nederlands en Engels aan het ontstaan dat Dunglish genoemd wordt of ‘steenkolen-Engels’. De Nederlanders zijn tot overmaat van ramp er nog trots op ook dat de Engelsen vinden dat dat ze zo goed Engels spreken. Ik vraag me af of hier niet deels van ironie sprake is bij de ‘waardering’ van dit Dunglish. Het allerergst vind ik nog die Nederlanders op radio en TV, die een eerst een Engels woord of een Engelse uitdrukking uitkramen (vaak ook nog gebrekkig uitgesproken) en dan zeggen: ‘zeg maar, …”, waarna de Nederlandse vertaling volgt. Ik begrijp werkelijk niet waarom ze het dan niet meteen in het Nederlands zeggen.

  6. Marcel Plaatsman schreef:

    Dat de sprekers van ’n taal geneigd zijn ’n oudere variant voor hoger te houden dan ’n vernieuwing, lijkt me ook wel begrijpelijk: we leren onze moedertaal immers altijd van ouderen (in de eerste plaats onze ouders). Ze is op ons overgebracht, ze is letterlijk traditie. Natuurlijk verandert die taal tegelijk ook, maar dat “we” dat als falen zien, lijkt me geen denkfout, dat we dat zo zien is deel van ons taalgevoel (net zo natuurlijk als taalverandering dus).

Laat een reactie achter