Ilja Leonard Pfeijffer als uitspreker van de [k]

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (40)

Door Marc van Oostendorp

Een van de zaken die opvallen in de voordracht van Ilja Leonard Pfeijffer is hoe lang zijn k-klanken zijn, vooral aan het eind van woorden. Het lijkt me dat dit een van de karakteristieken is van zijn voordracht van poëzie – wanneer hij spontaan spreekt doet hij het niet.

Je hoort het bijvoorbeeld in sonnet 15 (dit is een link naar de website van Poetry, waar audiobestanden staan) van het bundeltje Giro giro tondo, dat integraal op de website van Poetry international staat. Het duidelijkst is het bij de k aan het eind van strik in:

Je vlocht de woorden tot een strik. Je lachte,

(Pfeijffer vergist zich vermoedelijk als hij mijn woorden zegt in plaats van de woorden.) De k strekt zich daar helemaal uit tot de volgende lettergreep. Eigenlijk zegt de dichter hier ongeveer: strik-kje lachte.

Onredelijk

Je kunt dat zelfs zichtbaar maken. Hier is het zogeheten spectogram van het deel mijn woorden tot een strik. Je lachte. Het spectrogram is het onderste deel van onderstaand plaatje; de twee lijnen erboven geven in stereo de relatieve luidheid van wat er klinkt:

Je hoeft die spectogrammen niet te kunnen lezen om te kunnen zien dat er een wit stuk in het midden zit: dat is de k. Je kunt zo ook zien wat een onredelijk groot deel van het hele signaal die k in beslag neemt.

Dunne witte streepjes

De reden dat dit stuk wit is, is dat een k altijd een stilte creëert: je sluit je mond even af met de achterkant van je tong tegen je verhemelte. De lucht hoopt zich daarachter op, totdat je loslaat: dan ontstaat er een kleine explosie (dat is het kleine friemeltje in de het stereosignaal). De k heet daarom een plofklank.

Andere plofklanken zijn niet zo lang: je kunt de t‘s in het bovenstaande bijvoorbeeld wel herkennen, maar alleen als dunne witte streepjes.

Lucebert

Als de k voor een andere plofklank staat, is hij nog steeds behoorlijk lang. In normale spraak gaat de explosie van de k dan over in die van de t, maar als de voordrachtskunstenaar Pfeijffer maakte zegt, zijn de twee explosies makkelijk te herkennen:

Ik heb weleens geschreven over de voordracht van Lucebert, door wie Pfeijffer duidelijk beïnvloed is. In dat artikel beweerde ik dat de muzikaliteit van Lucebert onder andere gelegen is in zijn relatief lang aangehouden medeklinkers. Maar bij Lucebert waren het ongeveer alle medeklinkers die lang waren – bij Pfeijffer lijkt het wat specifieker de k.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter