Het kleinste onderwerp in de taal

Door Lucas Seuren

Recent gaf Peter-DoughnutArno Coppen in zijn column in Trouw een korte analyse van het kleinste onderwerp in het Nederlands: het lidwoord. Hoewel ik niet wil betwisten dat het lidwoord als onderwerp voor een taalkundige analyse zeer klein is, wilde ik de gelegenheid aangrijpen om een nog kleiner aspect van de taal te bespreken, het woordje oh. Wie nu denkt dat oh niet meer is dan een onbewuste respons die los staat van de taal heeft het bij het verkeerde eind. Niet alleen heeft oh zijn eigen, weliswaar zeer onvolledige, vermelding in de Van Dale, het wordt doelgericht ingezet door sprekers, en niet alleen in het Nederlands. Dus laten we eens kijken naar oh.

Signaal

Het eerste wat opvalt is dat oh op allerlei manieren gerealiseerd kan worden. Sommige ohs zijn erg kort en duren amper 140 milliseconden, anderen zijn juist weer erg lang en duren ruim 1600 milliseconden. Sommige ohs worden geproduceerd met een vrij vlakke intonatie, waarbij het hoogste en laagste punt van de oh nog geen 10Hz uit elkaar liggen (feitelijk onhoorbaar). In andere gevallen maakt de toonhoogte een enorme beweging door, waarbij hij eerst wat omhoog gaat en dan fors omlaag, met een bereik van soms meer dan 300Hz, wat neer kan komen op bijna twee octaven. Een oh kan heel hoog ingezet worden, of juist meer in het standaard bereik liggen van de spreker. En dan heb ik het alleen nog maar over de ohs die vlak zijn of naar het einde toe een dalende intonatie hebben; er zijn er ook nog met een stijgende intonatie, al zijn die wel heel wat zeldzamer.

Niet al die variatie heeft natuurlijk even veel betekenis. Het is nu eenmaal schier onmogelijk om oh twee keer op exact dezelfde manier uit te spreken; de ene keer is hij net iets korter of de toon net iets hoger. En er zijn inherent verschillen tussen sprekers. Maar willen we recht doen aan dit kleine woordje, dan moeten we natuurlijk wel eerst uitvogelen welke variatie betekenisvol is, en welke niet.

Handeling

Maar als we oh goed willen analyseren, moeten we niet alleen kijken naar het signaal. Waar en wanneer mensen oh zeggen is enorm van invloed op hoe die oh begrepen wordt. De overgrote meerderheid van ohs die ik tot op heden heb bekeken wordt geproduceerd nadat de andere spreker (spreker B) een informatieve beurt heeft geproduceerd. B heeft bijvoorbeeld een nieuwtje verteld of antwoord gegeven op een vraag van spreker A, de spreker die de oh produceert. Wat al die toonvariatie verder ook betekent, oh lijkt dus voornamelijk te worden gebruikt om nieuwe informatie te ontvangen (een analyse die in 1984 al werd gegeven voor het Engels).

A: Waar ben je nu?
B: Bij Marloes.
A: Oh.

Maar we komen oh ook op andere plekken tegen; A kan bijvoorbeeld met oh reageren op een afwijzing van een uitnodiging of voorstel, zoals hieronder. Gaat het dan ook om informatie?

A: Kom maar naar Utrecht?
B: Nee joh.
A: Oh.

Dit brengt me bij een volgend probleem voor wie oh analyseert: sprekers maken zelden duidelijk waarom ze oh zeggen. Iedere spreker van het Nederlands heeft ongetwijfeld ideeën bij wat hij of zij met oh doet, maar wat onderzoek naar dergelijke partikels keer op keer heeft laten zien, is dat onze intuïties een slechte leidraad zijn. Zo beschreef de Britse taalkundige John Local in 1996 oh vanuit fonetisch oogpunt, en kwam onder andere tot de conclusie dat zelfs als oh een duidelijk hoorbare stijgende en vervolgens dalende intonatie heeft – probeer maar eens voor jezelf – het niet per se verrassing uitdrukt. Net zo goed drukt een korte oh met een dalende intonatie – wederom, probeer maar eens – zeker niet altijd iets uit van teleurstelling. De overgrote meerderheid van de ohs wordt op die manier geproduceerd, en in veel gevallen blijkt uit de interactie dat teleurstelling niet centraal staat. De aankondiging die B doet aan haar kleindochter in het volgende dialoogje is juist iets positiefs.

B: Pieter en ik komen ook nog naar mama toe.
A: Oh.

Zelfstandig

Wie nu denkt dat we klaar zijn met alle mogelijke variatie in oh komt bedrogen uit, want tot op heden heb ik me stiekem uitsluitend gericht op oh als “zelfstandige beurt”. Dat wil zeggen, de ohs waar ik over heb gesproken worden gebruikt als complete taalhandeling. Maar oh wordt ook vaak voorop geplaatst bij meer complexe taalhandelingen. Denk bijvoorbeeld aan combinaties van interjecties zoals oh ja, oh nee, oh zo, of oh echt. Mensen kunnen ook een vraag vooraf gaan door oh, of een antwoord, of een evaluatie, etc. In al die gevallen kan oh weer net wat anders doen, en allemaal hebben ze dus een eigen analyse nodig.

Ik kan, net zoals Peter-Arno Coppen voor het lidwoord, nog uren doorgaan over oh. Het moge duidelijk zijn dat dit kleine woordje van enorm belang is voor de Nederlandse taal; we kunnen niet zonder. En ondanks dat het geen grammaticale of semantische rol heeft kunnen we er toch krankzinnig veel over zeggen. En het leuke is, het merendeel is nog nooit door academici onderzocht. Taalkundigen hebben nog genoeg studiemateriaal om ons meerdere mensenlevens zoet te houden. Dat vind ik een prettig vooruitzicht.

Dit bericht is geplaatst in taalbeheersing met de tags , . Bookmark de permalink.

4 reacties op Het kleinste onderwerp in de taal

  1. DirkJan schreef:

    Als ik ‘oh’ schrijf, dan rijmt het op joh, de uitroep ‘o’ schrijf ik dus zonder h, o wee!

    • Lucas Seuren schreef:

      Dat komt veel voor. Ik schrijf de h omdat er vrijwel altijd iets van aspiratie te horen is; een lichte uitademing (soms ook een w: ow). Maar als je onderscheid wilt maken tussen o en oo is dat niet handig.

Reacties zijn gesloten.