De flexibiliteit van ‘Ik hoor het u zeggen’

Door Guusje Jol

Kent u juristen? Dan is het goed mogelijk dat u hen wel eens hebt gehoord over de uitdrukking ‘ik hoor het u zeggen’. Of erger nog, dat die uitdrukking tegen u is gebruikt. In juristenland worden deze woorden namelijk bepaald niet neutraal gebruikt. Zie een tikkeltje gefrustreerd klinkend stukje van strafrechtadvocaat Peter Plasman. Hij schrijft dat ‘ik hoor het u zeggen’ standaard versluierd taalgebruik is om te zeggen ‘u liegt dat u barst’. Hij hoorde een onderzoeksrechter (rechter-commissaris) deze uitdrukking gebruiken tegen een verdachte. De advocaat was in woede ontstoken en had de rechter-commissaris gewraakt.

De uitdrukking ‘ik hoor het u zeggen’ heeft ook het onvolprezen boekje Taal is zeg maar echt mijn ding gehaald. Auteur Paulien Cornelisse merkt op: ‘Je hebt ook mensen die niet willen toegeven dat de discussie inmiddels een ruzie aan het worden is. Die zeggen bijvoorbeeld: ’Grappig dat je dat zegt,’ terwijl het helemaal niet grappig is. Of ze nemen hun toevlucht tot het zogenaamd neutrale: ‘Ik hoor het je zeggen.’ ’

De typering ‘zogenaamd neutraal’ is natuurlijk iets anders dan ‘je liegt dat je barst’. Maar Plasman en Cornelisse plaatsen ‘ik hoor het je zeggen’ allebei in een ongezellige context én suggereren dat er iets op een indirecte manier gecommuniceerd wordt.

De vraag is: waarom?Horen zeggen, maar dan ook niets meer

Het is jammer dat we geen opname hebben van het gesprek bij de rechter-commissaris. In mijn fantasie ging het bijvoorbeeld zo:

-rechter-commissaris: ‘Hoe kwam u aan die scooter?’

-verdachte: ‘Die had ik geleend van een vriend om m’n vriendin op te halen. En toen moest ik stoppen omdat ik geen helm op had. En toen bleek dat de nummerplaat niet klopte en moest ik mee naar het bureau. Ik wist daar echt niks van!’

-rechter-commissaris: ‘Ik hoor het u zeggen’.

Het moment van ‘Ik hoor het u zeggen’ in dit fictieve dialoogje is best logisch. De uitwisseling begint met een vraag. In antwoord daarop zegt de verdachte iets. En dan komt ‘ik hoor het u zeggen’.

En de rechter-commissaris zegt dus dat zij of hij de verdachte gehoord heeft. Dus dat is geen probleem. Toch lijkt er wel een probleem te zijn. De rechter-commissaris hád ook kunnen zeggen: ‘oké’, ‘oh’, of ‘hmhm’, of ‘oké’, en een volgende vraag kunnen stellen. Daarmee had de rechter-commissaris impliciet gelaten of het antwoord al dan niet goed was ontvangen. Het gesprek was ‘gewoon’ verder gegaan. De rechter-commissaris had ook kunnen zeggen ‘oké, duidelijk’ of ‘ik snap het’. Dan was duidelijk geweest dat de boodschap was begrepen. Daarmee had zij of hij ook geïmpliceerd dat het antwoord was gehoord.

De reactie ‘ik hoor het u zeggen’ maakt nu juist  heel expliciet is dat het antwoord is gehoord. En daardoor impliceert het dat het antwoord vooral niets méér dan gehoord is. Ga maar na. Stel dat dat persoon A vraagt over een paar nieuwe schoenen: ‘en wat vind je ervan?’. En persoon B zegt dan terug: ‘ze zitten vast heel comfortabel’. Dan is voor A de reactie gerechtvaardigd: ‘Oh. Dus je vindt ze niet leuk’. Vermoedelijk zal  B dit ontkennen en snel alsnog zeggen dat ze ook leuk zijn. Maar er blijft altijd een luchtje aan hangen omdat B niet meteen gezegd heeft dat de schoenen leuk waren op met moment dat de gelegenheid daar was. En zo kan de rechter-commissaris dus impliceren dat zij of hij niet veel waarde hecht aan het verhaal over de geleende scooter en het onschuldige geweten van de verdachte.

Een niet-zo-typisch moment

Maar de uitdrukking ‘ik hoor het u zeggen’ is niet alleen bruikbaar in reactie op beweringen. Fred Teeven heeft dat goed begrepen. Het volgende fragment gaat over de veelbesproken Teevendeal en de à la Hans Klok verdwenen bonnetjes.

Verslaggever:                   Hoe kan het dat iemand als u, die er zo bij betrokken is als u, zo weinig herinneringen daaraan heeft?

Fred Teeven:     →           Ja, dat hoor ik u zeggen dat ik weinig herinneringen heb.

Verslaggever:                   Nou, niet voldoende herinneringen. Dat schrijft minister Opstelten.

Fred Teeven:     →           Ja, ja, dat hoor ik ‘m zeggen.

(fragment op 3min 34sec)

‘Ik hoor het u zeggen’ volgt hier op een vijandige vraag van de verslaggever. De verslaggever veronderstelt dat Teeven weinig herinneringen heeft aan de deal. Verder benadrukt hij een andere veronderstelling, namelijk dat Teeven intensief betrokken was bij de deal. Door die twee naast elkaar te zetten, construeert de verslaggever een tegenstrijdigheid, en daarmee een ongeloofwaardigheid. Het is in feite een beschuldiging (‘u jokt’), verpakt als vraag.

Of Teeven daar even een verklaring voor wil geven.

Teeven is niet van gisteren. Hij richt zich in op een van de vooronderstellingen die zijn ingebakken in de vraag, namelijk dat hij weinig herinneringen zou hebben aan het bonnetjesgebeuren. Hij gebruikt daarvoor ‘ik hoor het u zeggen’. Zo reageert hij niet op van wat de verslaggever vroeg naar wat de wat de verslaggever zei. Daarvoor moet Teeven wel een beetje extra moeite doen en expliciet maken wat de verslaggever dan zégt: ‘dat ik weinig herinneringen heb’. Dat is nodig omdat een kaal ‘dat hoor ik u zeggen’ koren op de molen van de journalist was geweest. Die had dan gemakkelijk kunnen tegenwerpen: ‘Hoezo zéggen? Ik vróeg u wat!’.

Effectief

De manier waarop Teeven ‘Ik hoor het u zeggen’ gebruikt, is effectief op verschillende niveaus. Ten eerste speelt hij de beurt weer terug naar de verslaggever. De verslaggever heeft namelijk de beurt bij Teeven gelegd door een vraag te stellen: het is aan Teeven om iets te zeggen. Teeven speelt die bal door inderdaad een reactie te geven. En nu de verslaggever weer…

Tegelijkertijd presenteert de uitdrukking ‘ik hoor het u zeggen’ de ‘weinig herinneringen’ als een bewering van de verslaggever. Teeven kan zo in het midden laten of dat inderdaad zijn kant van het verhaal is.

En last but not least, Teeven verlegt de discussie van zijn eigen geheugen naar ‘wie heeft wat gezegd?’. De verslaggever gaat hierin mee door een bron te geven voor zijn bewering: toenmalig minister Opstelten. En hij krabbelt iets terug door ‘weinig’ te veranderen in ‘onvoldoende’. De verslaggever verdedigt dus zijn vraag, zonder de vraag opnieuw te stellen.

Het gevolg is dat de verslaggever nu inderdaad iets heeft gezegd. Dat maakt het gemakkelijk voor Teeven om de bal nu nog een keer terugkaatsen met: ´ Ja, ja, dat hoor ik ´m zeggen.´ Daarmee is Opstelten de bron geworden van de ´onvoldoende herinneringen´. En dus vermijdt Teeven wederom een uitspraak over hoe het zit met zijn herinneringen.

Het belang van waaróp je reageert

Het is allemaal frustrerend voor de verslaggever. En voor al diegenen die sneller hadden willen weten wat er nu precies gebeurd is met die bonnetjes. En voor Arjen Lubach die verontwaardigd commentaar levert op het optreden van Teeven (bekijk het youtube-fragment nog even verder). Maar Teeven toont wel dat hij niet alleen bonnetjes à la Hans Klok kan laten verdwijnen, maar dat ook een ontsnappingskunstenaar à la Houdini is.

Maar nog belangrijker hier: het gesprekje laat zien dat de functie van de woorden ‘ik hoor het u zeggen’ kan veranderen, afhankelijk van in reactie waarop iemand ze uitspreekt. ‘Ik hoor het u zeggen’ kan betekenen:

  • in reactie op een bewering: ‘ik hoor u, maar ook niets meer dan dat’;
  • in reactie op een vraag: ‘u stelt niet alleen een vraag, maar u doet ook een bewering. En dat is niet mijn bewering. Nu u weer.’

Deze functies hebben zeker met elkaar te maken, maar ze stellen de spreker in staat om verschillende dingen te doen.

Troost?

Gelukkig zijn de woorden ‘ik hoor het u zeggen’ niet voorbehouden aan rechters of aan staatssecretarissen, in geen van beide betekenissen. In een interview op PowNed laat gewezen advocaat Bram Moszkovicz namelijk zien dat hij een vergelijkbare truc kent als die van Teeven:

Bram Moszkovicz:           D’r zijn d’r niet heel veel die zoiets doen denk ik.

Rutger Castricum:            Nee, want hij doet ‘t. (…) Ja. (…)Je kan ook zeggen, de familie had wat eh bij kunnen springen.

Bram Moszkovicz:           Dat kan je zeggen ja.

Rutger Castricum:            (Wiebelt met z’n hoofd, terwijl publiek voorzichtig lacht.) Dat zei ik dan ook…

Bram Moszkovicz: →      Ja, en .. en .. dat hoor ik je ook zeggen. (En slaat een glas water achterover.)

Publiek:                               ((lacht))

Rutger Castricum:            Hi hi hi

En nu maar hopen dat dit een beetje een troost is voor de verbolgen advocaat die de rechter-commissaris wraakte…

Dit bericht is geplaatst in column, taalbeheersing met de tags . Bookmark de permalink.