Bohemen

Bohemen zn. gebied in Midden-Europa

Vroegmiddelnederlands Behem, Beihem (1287), Behem (ca. 1300), Beheem (1301-1325), Bihem, Byhem (1340-1360 ); met samentrekking tot een lettergreep Mnl. Beem (1276–1300), Bemen (1460–1480) en het bn. Beemsche ‘Boheems’ (1393). Daarnaast komt iets later ook het uit het Latijn of Frans ontleende Boheme voor (1343–1345), in ambtelijke bronnen.

 

Nieuwnederlands in 1531 nog Behemen, maar in de 16e en 17e eeuw meestal met samentrekking Be(e)men (1521) ‘Bohemen’, bn. Beemsch (1581) ‘Boheems’, zn. Bemer (1517) ‘Bohemer’, Be(e)merlant (1517) ‘Bohemen’. Vormen met Boh- blijven zeldzaam tot 1700 (Bohemer 1621, Bohemerlant 1562) maar blijven daarna als enige variant over.

Ontleend aan Middelhoogduits Bēheim ‘Bohemen’ dat Oudhoogduits *Bēheim voortzet, waarvan Ohd. Bēheima, Bēheimi mv. en Becheimare mv. ‘Bohemers’ zijn afgeleid. Oudhoogduits *Bēheim zet een Proto-Germaanse streeknaam *Baja-haima- ‘woonplaats der Boii’ voort. De Boii leefden in de Romeinse tijd in of nabij Bohemen en van hun naam stamt ook de landsnaam Beieren af (vgl. de Ohd. inwonernaam Beiera uit PGm. *Baja-warjōz). De klinkerronding van Beh(e)m- tot Böh(e)m- vindt in de Duitse schrijftaal aan het einde van de 16e eeuw ingang.

Dit bericht is geplaatst in taalkunde met de tags , . Bookmark de permalink.