Zien we eruit als onze voornaam?

Door Gerrit Bloothooft

 Kim? Luca? Marina? Evi? 

In mijn paspoort staan mijn gezicht, naam en leeftijd. Niemand anders heeft precies hetzelfde gezicht en in mijn geval ook niet dezelfde naam. Ik kan me dus identificeren. Maar hoe redundant zijn gezicht en naam, wat valt er meer uit af te leiden? Uit een gezicht zijn bijvoorbeeld leeftijd en etnische achtergrond te schatten. Dat doen we allemaal, niet alleen de politie. Veel subtieler ligt het met persoonlijkheid, intelligentie en sociale achtergrond. Het zijn eigenschappen die deels genetisch maar ook door levensomstandigheden bepaald zijn. Als die zich in het gelaat op een stereotype manier verankeren zou een goede waarnemer dat misschien kunnen zien. Dan zou er zelfs een versterking kunnen plaatsvinden: omdat iemand op een bepaalde manier wordt benaderd gaat die er zich naar gedragen en uitzien.

Nu is onze voornaam het eerste sociale label in ons leven. Je kunt je afvragen wat ouders daarmee al zichtbaar maken aan de omgeving. Dat kan afkomst zijn wanneer de voornaam specifiek is voor een bepaalde taal die ook weer kan verwijzen naar etnische kenmerken. Bij Sadaoki zouden we iemand met een Japans uiterlijk kunnen verwachten. Daarvoor moeten we wel intuïties hebben over taal, voornamen en voorkomen. Die zijn wellicht ook onderscheidend voor bijvoorbeeld Noren, Hongaren, Spanjaarden en Ieren.

Maar wanneer we daar niet op kunnen terugvallen bij Nederlanders wier familie hier van oudsher woont, wordt de relatie tussen voornaam en uiterlijk een stuk lastiger. Een voornaam wordt vaak al voor de geboorte door de ouders bedacht en heeft niets te maken met hoe we eruit zien als we ter wereld komen. Daarna worden we er voortdurend mee aangesproken. En de vraag is wat dat met iemand doet. Roept een voornaam bepaalde verwachtingen bij de omgeving op, beïnvloedt dat de manier waarop je benaderd wordt, ga je er misschien naar gedragen, en ga je er uiteindelijk zo uitzien dat je voornaam herkenbaar wordt? Een groep Israëlische en Franse onderzoekers (Zwebner et al, 2017) meent van wel. Dat leiden ze af uit een serie experimenten waarbij proefpersonen bij een foto van een gezicht moesten kiezen uit vier voornamen waarvan er één de juiste was. Dat konden ze beter dan kans zowel in Israël als in Frankrijk. Zelfs een computer met gezichtsherkenning kon het leren. Maar ik heb mijn twijfels.

Spelen sociale klassen een rol?

Het resultaat van een keuze uit vier namen bij een foto staat of valt bij de alternatieve namen die worden aangeboden. Naast taal en etniciteit hebben de meeste mensen intuïties over voornamen en sociale klassen. Voor Nederland kon ik laten zien dat er onderscheiden groepen namen zijn waaruit ouders putten voor de voornamen van hun kinderen (Bloothooft en Groot, 2008). Jan en Cornelia zijn vaak broer en zus, maar ook Mark en Laura, Jeroen en Suzanne, Kevin en Chantal, Jelle en Femke, Ruben en Esther, Floris en Amber, enzovoort. De ouders die naamvoorkeuren delen hebben ook vaak gemeenschappelijk achtergronden wat betreft opleiding, inkomen en levensvisie, van traditioneel tot trendgevoelig. Hoe dat in Israël en Frankrijk zit weet ik niet, maar de onderzoekers ook niet. De kennis over Nederlandse naamgeving maakt het mij echter mogelijk om een hypothese te toetsen, namelijk dat we gezichten kunnen associëren met sociale klasse, en dat we dat ook bij voornamen kunnen. Als dat zo is dan zouden we een voornaam niet direct aan gezichtskenmerken koppelen, maar dat doen op basis van de onderliggende intuïties over sociale klassen.

Een test op Drongo

Deze hypothese is getest op het talenfestival Drongo. Belangstellenden konden 15 gezichtsfoto’s van studenten taalwetenschap beoordelen. Bij elke foto werd een keuze uit vier voornamen gemaakt. Maar er waren twee condities voor elke foto: de drie alternatieve namen waren ofwel afkomstig uit dezelfde naamgroep als de werkelijke naam, of uit drie andere naamgroepen. De verwachting was dat proefpersonen in het eerste geval willekeurig zouden kiezen (25% correct), maar in de tweede conditie boven kans de juiste keuze zouden maken. Elke proefpersoon kreeg willekeurig of de ene of de andere drie alternatieven te zien. De populariteit van de vier namen was bij benadering gelijk voor de leeftijdsgroep van de studenten. Er werden responsies verzameld van 46 deelnemers.

Wanneer zowel de echte naam als de drie alternatieven uit dezelfde naamgroep afkomstig waren, dan was de score nauwelijks boven kans (28,3%). Wanneer de drie alternatieven uit andere naamgroepen afkomstig waren ging duidelijk beter (34,9%). Dat lijkt de hypothese te bevestigen dat we gelaat en voornaam kunnen koppelen via stereotype kenmerken van de sociale klasse.

Maar het ligt ingewikkelder. De alternatieven uit drie verschillende naamgroepen kwamen meestal uit de Friese namen (zoals Femke, Jelle, Nienke ), korte Engelse namen (zoals Kim, Mike, Joyce) en traditionele namen (zoals Maria, Johanna, Willem). De foto toonde een student met een naam uit verschillende andere groepen, maar het waren voor de helft korte Nederlandse namen (zoals Sanne, Anne, Bart). Bij de beoordelingen werden traditionele namen heel weinig gekozen ook al hadden ze een vergelijkbare frequentie in de Basis Registratie Personen. Als de hoogopgeleide bezoekers van Drongo deze namen vrijwel nooit in hun omgeving horen, ofwel omdat ze niet in de bible belt wonen ofwel omdat traditionele namen vaak een verkorte roepnaam hebben, dan zouden ze deze keuze als veel minder kansrijk kunnen beschouwen. Het was beter geweest om de eigen voornaam en die van hun ouders aan de proefpersonen te vragen. Dat zou een indicatie van hun sociale omgeving geven waarin de gepercipieerde frequentie van voornamen heel anders kan zijn van die over de hele bevolking. Als traditionele namen buiten beschouwing worden gelaten dan blijft een keuze uit drie namen, met 33,3% kans. En dat komt in de buurt van het resultaat.

Geen ondersteuning

Dit kleine testje geeft geen ondersteuning aan het idee dat ons gelaat beïnvloed wordt door de voornaam die we dragen, of geassocieerd kan worden met sociale klasse. Ook al riepen deelnemers ‘dat is een echte Pauline’ of ‘die lijkt op Lex die ik ken’, ze zaten er vaak naast. Wel is duidelijk dat de alternatieve namen een grote invloed kunnen hebben op het resultaat, en dat zonder sociaal-naamkundige inzichten daarover verstorende aspecten in een onderzoek kunnen sluipen. Dat is mogelijk in het Israëlisch – Franse onderzoek gebeurd.

Dit bericht is geplaatst in Naamkunde met de tags , . Bookmark de permalink.

4 reacties op Zien we eruit als onze voornaam?

  1. DirkJan schreef:

    Freud heeft ooit een boek geschreven over de invloed van voor- en achternamen op mensen. Jung had het gelezen en complimenteerde de schrijver. Maar had hij wel voldoende rekening gehouden met de privacy van zijn voorbeelden? Zeker, zei Freud, ik heb alle namen veranderd.

  2. Anton schreef:

    Het resultaat van de opzet van dit onderzoek doet me denken aan de gepubliucerde fotogalerij van Nederlandse veroordeelden (landloperij, kleine criminaliteit enz enz) die er toch bijna allemaal doodnormaal uitzagen in dat aparte national(istisch)e boek uit 1938 waar Anne de Vries medeauteur van was.

    Zag graag een snellere afkeer van zulke aannames bij “men zelf” in jong 21e eeuws wetenschappelijk onderzoek want als het lijkt op quackpsychologie uit de school van Stapel, dan… u weet zelf.

  3. Gé van Gasteren schreef:

    Ik snap niet goed dat in een zo zorgvuldig opgezet onderzoek over het hoofd gezien was dat de verdeling van de namen van de 15 afgebeelde studenten overeen moet komen met de verdeling van de te kiezen namen en – denk ik tenminste – ook met de verdeling van de namen van de proefpersonen. Maar ja, weer wat geleerd…

  4. Gerrit Bloothooft schreef:

    Het Israëlisch-Franse onderzoek was goed gefundeerd, maar mijn stelling is dat er onvoldoende aandacht is besteed aan sociaal-naamkundige achtergronden waardoor helemaal niet zeker is of je een naam beter dan kans bij een gezicht kunt raden. In ons pilootonderzoek ging het alleen over de vraag of de resultaten af zouden kunnen hangen van de alternatieve namen in plaats van de gezichten. En ja, dat was zo omdat de proefpersonen traditionele voornamen niet waarschijnlijk vonden voor adolescenten. Alleen al die observatie geeft aan hoe voorzichtig je moet zijn bij de keuze van alternatieve namen: gelijke frequentie van voorkomen is niet genoeg. Eigenlijk zouden de voornamen ook beoordeeld moeten worden zonder een foto te laten zien, waarna voor namenvoorkeuren gecorrigeerd worden. Dat is experimenteel lastig. Dat de foto’s noch de beoordelaars niet representatief waren voor de bevolking deed er niet toe.

Laat een reactie achter