De revolutie van de opgestoken duim

Door Marc van Oostendorp

Volgens de Britse taalkundige Vyv Evans waren er ‘woedende reacties’ van collega-taalkundigen toen de redactie van het Oxford English Dictionary in 2015 de emoji ‘😂’ verklaarde tot woord van het jaar. Wat een schande! Wat een degradatie en wat een teken van verloedering!

Evans publiceert nu, nadrukkelijk eveneens als taalkundige, een boek over emoji. De bewering over die collega’s is meteen wel een voorbeeld van de wat overspannen toon die zijn boek heeft. Ik kan in ieder geval geen echt woedende reacties door deskundigen terugvinden, en het zou ook minstens tijdverspilling zijn om woedend over zoiets als de verkiezing tot woord van het jaar te worden. (In 2015 schreven  Lucas Seuren en Mark Dingemanse op Neerlandistiek over de vraag of emoji woorden zijn, allebei zonder een spoor van woede.)

Dat heeft zelfs niet zoveel te maken met wat je wel of niet van emoji’s vindt. Die hele verkiezing is een commerciële gimmick – wie maakt het wat uit wat daar wint? Je zou hooguit kunnen opmerken hoe interessant het is dat een gecommercialiseerd woordenboek een gecommercialiseerd communicatiemiddel als de gimmick verkiest boven het vrije woord.

Bovendien geeft Evans zelf ook toe dat een emoji natuurlijk geen woord is. Het ontbreekt allerlei karakteristieken van woorden, zoals een onderverdeling in klinkers en medeklinkers en een definitie die je in een woordenboek kunt zetten. Dus stel dat je als taalkundige emotioneel heel erg geïnvesteerd hebt in de juiste afbakening van het begrip ‘woord’, dan zou je dus bij die verkiezing inderdaad je wenkbrauw kunnen opheffen. Je kunt het soms wel gebruiken als woord (‘ik voel me <opgestoken duim> ‘), maar dat kun je in het dagelijks leven ook doen met bijvoorbeeld een opgestoken duim. Want daar lijken emoji het meest op: de dikke saus van lichaamstaal en stembuigingen die we iedere dag in gesprekken over de taal gieten – waarzonder gesproken taal buiten de radionieuwsbulletins ook eigenlijk niet bestaat.

Bowlingbal

Dat lijkt me de complete boodschap van The Emoji Code. Hij wordt uitgesmeerd over 210 pagina’s omdat er allerlei andere dingen worden uitgelegd, die soms alleen in een los verband tot het onderwerp staan – dat taal verandert bijvoorbeeld – en af en toe verwijst Evans naar eigen en andermans onderzoek, dat helaas voor zover ik kan zien niet echt in wetenschappelijke tijdschriften is verschenen. Een is van de datingsite Match.com, waaruit zou blijken dat gebruikers van emoji meer seks hebben.

Ik denk dat het simpelweg nog te vroeg is om een boek te schrijven over emoji. We weten nog niet welke kant het opgaat. Het valt me op dat Evans het vooral over de paar geëikte emoji heeft – de gezichten, de opgestoken duim, het hartje. Er zijn honderden andere, waarvan het mij een raadsel is of die ooit daadwerkelijk iets gaan betekenen: gegeven dat emoji waarschijnlijk inderdaad een middel zijn om lichaamstaal te vervangen, zou je kunnen denken dat een afbeelding van een poedel of een bowlingbal misschien niet echt een gigantische wereldwijde functiepotentie heeft.

En sowieso. Zouden emoji nu echt het definitieve antwoord zijn op onze behoefte om wat lichaamstaal in schriftelijke communicatie te brengen? Ze blijven bijvoorbeeld bestaan uit duidelijk afgebakende lijsten van discrete eenheden, en niet aan het subtiele continuüm waarmee we normaliter met elkaar communiceren. Zijn de bewegende gifjes die sommige mensen meesturen met hun Twitterberichten niet veel subtieler – bijvoorbeeld omdat je die zelf kunt maken en dus niet afhankelijk bent van het consortium van – vooral – grote bedrijven dat over de ‘officiële’ emoticons gaat?

Klein stapje

Evans heeft ook weinig aandacht voor de sociale functie van taal én van lichaamstaal. Dat ze heel veel – zeg gerust, iedere dag – gebruikt worden om mensen van elkaar te onderscheiden: die hoort er wel bij en die niet. Met haar wil niks te maken, want ze klinkt te bekakt, met hem kan ik praten want hij kent alle hippe woorden. Het zou raar zijn als zoiets na een paar jaar niet ook voor emoji gaat gelden; sterker nog, ik heb het idee dat sommige mensen bepaalde emoji nu al raar vinden. (Ik zal zelf in ieder geval geneigd zijn de communicatie af te breken met iemand die een brakend gezichtje toont.) Dat effect kan ook best emoji als geheel treffen, als er over 10 jaar een groep is die de huidige emojisten maar ouderwets vindt.

Het probleem is dat de manier waarop mensen met elkaar aan het communiceren zijn enerzijds voortdurend enorm verandert, en anderzijds eigenlijk niet veel verandert van hoe we het 10.000 jaar geleden al deden: gezeten rondom een open vuur met hart en ziel een verhaal vertellen, kibbelen en roddelen. De ontwikkelingen in ons mediagebruik van de afgelopen decennia zijn volgens mij bewegingen terug naar dat ouderwetse taalgebruik – wég van alle kunstmatige conventies waarmee we noodgedwongen in het verleden onze communicatie hebben opgetuigd omdat het op lange afstand niet anders kon. Met die bewegingen zijn we denk ik nog lang niet klaar. Emoji zijn niet ‘wat ons anders doet communiceren’ zoals Evans’ ondertitel zegt. Ze zijn op een best een klein stapje in een voortdurende tredmolen.

Vyv Evans. The Emoji Code. How Smiley Faces, Love Hearts and Thumbs Up are Changing the Way We Communicate.  Michael O’Mara, 2017. Meer informatie bij de auteur.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter