Vondel tussen de schuifdeuren van Hooft

Door Ton Harmsen

In 1627 schrijft Vondel voor het tweede huwelijk van de dichtende drost zijn Bruyloftbed voor Pieter Cornelisz. Hoofd en Helionora Hellemans. Dat bruiloftsbed is geen slaapkamermeubel, maar een sofa zoals de Romeinen gebruikten om aan te liggen bij een banket. Het is een toneelstukje, geschreven voor Hoofts bruiloftsmaal. Vondel geeft geen nadere aanduiding van het genre waar zijn tekst toe behoort, de Census Nederlands toneel duidt het aan als een tafelspel.

Een tafelspel is een toneelstuk dat tijdens een maaltijd werd opgevoerd. Dat kan een bijeenkomst van rederijkers en hun gasten zijn, een andere feestelijke gelegenheid zoals driekoningen, vastenavond, of een officiële plechtigheid. In de zeventiende eeuw is het vaak een bruiloft: Bruylofts tafel-spel, of een Tafelspelletje, op het trouwfeest van de Twee die ’t Paartje zijn. Sommige tafelspelen bevatten toespelingen op de maaltijd: de gasten worden toegesproken in het spel, of de spelers kondigen nieuwe spijzen en dranken aan.

In Ceneton staat bij ieder toneelstuk aangegeven tot welk genre het behoort. Eén term per spel, al is dat vaak eigenlijk niet voldoende. Meestal voldoet de aanduiding op de titelpagina, zoals ‘treurspel’ of ‘blijspel’. Het wordt al lastig met de talrijke ‘blij-eindende treurspelen’ en ‘kluchtige blijspelen’. De vage aanduiding ‘toneelspel’ helpt ons  al helemaal niet veel verder. Vaak is het benoemen van het genre een probleem, zeker als de auteur zich er zelf niet over uitlaat. ‘Toch vind ook ik de Brabander allesbehalve een blij spel’ schrijft Kees Stutterheim in zijn inleiding bij de Spaanschen Brabander in de Bredero-reeks, nadat hij alle voorstellen heeft afgewogen, zoals de stelling van Sam Lenselink: ‘Bredero’s Spaensche Brabander is noch een blijspel, noch een ‘revue’, maar een tragicomisch-realistisch zinnespel.’ Dat alles is in een database niet in één term te vangen.

Als het spel speciaal geschreven is voor een bruiloftsmaal lopen twee genres door elkaar: het tafelspel en het epithalamium. Er zijn (vooral in de Koninklijke Bibliotheek) vele honderden gedichten bewaard die gemaakt zijn ter gelegenheid van een huwelijk. Meestal door vrienden en verwanten, soms werden beroepsdichters voor de opdracht betaald. Ze verschenen op losse vellen of in pamfletten en vrijwel iedere bundel zeventiende-eeuwse poëzie heeft een afdeling huwelijksgedichten. Vondel schreef er vijftig, en in de Gedichten van de jonggestorven Antonides van der Goes staan er 34. Vaste onderdelen van een epithalamium zijn de lof op bruid en bruidegom en het uitspreken van de kinderwens; verder kunnen geschenken worden aangeboden en toespelingen worden gemaakt op het aangeboden bruiloftsmaal. Meestal is het een lyrische monoloog, maar een epithalamium kan ook een toneeltekst zijn. Hier overlappen dus twee genres elkaar.

Vondels Bruyloftbed is een toneelstuk voor drie goden (Ganymedes, Venus en Cupido), de Poesie als zinnebeeldig personage en een koor van de drie Gratiën. Een kleine bezetting dus. Het is niet zeker dat het bij Hoofts huwelijk werkelijk is opgevoerd. Willem Jansz Blaeu gaf het uit in groot formaat, dus als tekstboek een prachtig geschenk.

Het nieuwe wapen van Cupido: de dichterspen

Ganymedes doet de proloog, de wijnschenker van de goden die als jongeling door Jupiter geschaakt was. Jupiter heeft hem op de adelaar naar Muiden gestuurd om het bruidspaar een kruik nectar aan te bieden, toepasselijk geschenk voor een goddelijke dichter. Jupiters bevel luidde:

.                Vereer met onsen frisschen most
.                Het tafelbedde van den Drost;
.                Tot loon dat dick’ sijn gulden mond
.                Lofsangen uyt de laeghte sond
.                        (Bruyloftsbed vs. 53-56)

Voordat hij wegvloog, zo vertelt Ganymedes, hield de halfgod Hendrik de Vierde, hem tegen, met het verzoek zijn felicitaties aan Hooft over te brengen. De Franse koning is Hooft dankbaar voor zijn kersverse biografie: Henrik de Gróte. Zyn leven en bedryf (1626), die zijn roem definitief onvergankelijk heeft gemaakt. Horatius noemt zijn gedichten een monument ‘aere perennius,’ duurzamer dan brons (Ode III, 30, 1). Het onsterfelijk papier van Hooft is meer waard dan het Parijse standbeeld dat staat te verroesten:

.                Soon, seyd hy, soon, wiens reyse streckt
.                Naer den beroemden Batavier,
.                Die sijn onsterffelijck pappier
.                Met myne onsterffelijcke daên
.                Soo trots en loflijck heeft belaên,
.                Dat eer mijn pronckbeeld te Parijs
.                Gedye het kanckrigh roest tot spijs,
.                Eer nyds en tyds vermetelheyd
.                My lever der vergetelheyd:
.                        (ibid. vs. 66-74)

Hendrik wenst Hooft net zoveel geluk met zijn Helionora Hellemans als hijzelf gehad heeft met zijn Maria de Medicis:

.                Dies wensch ick, dat de kuysche min
.                Hem aen sijn’ blaeckende Drostin
.                Door soo veel’ wellusten verbind,
.                Als eertijds ’t schutterlijcke kind
.                My aen mijn’ koningin verknocht;
.                Doen sij van over zee gebrogt,
.                Een’ tweede Venus, te Lion,
.                Met schoot vol gloeds onthaelde haer’ son.
.                ’K wensch hem sijn’ bruyd soo wenschlijck is
.                Als my die bloem van Medicis;
.                Die roos gehuwt aen lelibloem,
.                Toscanens pronck, en Vranckrijcx roem.
.                        (ibid. vs. 103-104)

Dat Vondel zelf twaalf jaar later met zijn vertaling van Barlaeus’ Blyde inkomst van Maria de Medicis zou bijdragen aan de onsterfelijke roem van de Franse koningin, kon niemand vermoeden.

Na de opgewonden monoloog in viervoeters van Ganymedes treden Venus en de Poesy op, in een dialoog in alexandrijnen waaruit blijkt dat de een niet zonder de ander kan. Zoals Venus zegt: de verzen die Hooft over huwelijken schreef zijn een sieraad voor haar tempel:

.        ’T is billyck dat ick eer’ den Drostelycken Hymen.
.        Myn tempel is vergult met sijn’ vergulde rymen.
.                        (ibid. vs. 175-176)

Zeer toepasselijk voor de bruiloft van het hoofd der dichters, die toch vooral een liefdesdichter was! Er ontspint zich een dialoog waarin Hooft geprezen wordt om zijn dichtwerk. Eerst prijst Poesy zijn treurspelen:

.        ’T sy dat, als Sophocles, met overoude laersen
.        Hy trad op treurtoonneel, en klaeghelijcke vaersen
.        Ten ooren innesond, en raeckte ’s volcx gemoed;
.        En mengelde onder een de traenen met het bloed.
.                         (ibid. vs. 207-210)

Dan roemt Venus zijn herdersspel Granida:

.        ’T sy dat hy op een’ halm, met harderlycke lieden,
.        Holp Dayfeloos en Dorileaes bloed aen ’t sieden.
.                          (ibid. vs. 215-216)

Poesy noemt Hoofts distichon dat het graf van Jacob van Heemskerck siert:

.        Of, tot onsterflycke eer van vaderlands bescharmer,
.        Hy goude letters sneed in grafgewyden marmer.
.                        (ibid. vs. 231-232)

Zo bespreken ze zijn imitatie van Tasso, Ariosto, Petrarca, Seneca, Tacitus. Verder vallen de namen van Montaigne, Ennius, Euripides en Homerus: een geleerder dichter dan Hooft bestaat niet. Venus wil dan ook haar zoontje Cupido bij hem in de leer doen, aanvankelijk tot afgrijzen van Poesy, die het ventje maar lastig vindt:

.        ’T weet ruym wel dat het sich voor vier en brand bewaer,
.        En andre blaecken doe.    VE. ghy moet hem stof verschaffen,
.        Of is het alleleens.    PO. neen seker, daer sijn straffen
.        En peenen toe gestelt. hy hoed sich voor den schout.
.        VE. Die muylband geen’ poeet.    PO. slechs met een’ toom van goud.
.        Der dichtren pen,’t pinceel der schildren alles vrystaet.
.                        (ibid. vs. 266-271)

Hier zinspeelt Vondel op de geldboete die hij kreeg voor zijn Palamedes. Hij stelt daar de artistieke licentia tegenover: de dichter moet (net als de schilder) kunnen uitbeelden wat hij wil. Poesy draait snel bij, en geeft Cupido de gelegenheid zijn dichtkunst te tonen:

.        Elck een steeckt d’ooren op, en neemt uw’ woorden waer.
.        Stort uyt een’ goude beeck; spreeck langsaem, rijp, en klaer.
.                        (ibid. vs. 317-318)

Cupido steekt dan van wal met veertien strofen van zes zesvoetige jamben. De eerste verklaart de titel van het spel:

.        Op op, gesegent paer, myn’ swaenen sijn geslagen
.        In parrele gareel: beklimt den gouden wagen:
.        Ick self sal voerman sijn der moederlijcke vracht,
.        En verre, uyt het gesicht der sterffelijcke menschen,
.        Ten darden hemelkreyts u voeren; daer met wenschen
.        ’T beschoren bruyloftbed uw’ trage komst verwacht.
.                        (ibid. vs. 319-324)

De drie Gratiën, de ‘Rey van Charites’, zingen drie strofen met een bijzonder metrum en een gecompliceerd rijmschema: vier, vijf, vier, vijf, vier, vier, drie en vijf jamben, waarin op vaste plaatsen binnenrijmen voorkomen. Eerst krijgt Hooft een lauwerkrans voor zijn dichterschap, en dan werken ze toe naar de macht van Hymen, de god van het huwelijk:

.        Bruydleyder Hymen, sijt verheugd,
.             U staet te wachten vreughd op vreughd:
.        Ghy sult veel’ bruyden leyen,
.             Daer bruyden ’t bedde spreyen en bereyen.
.                         (ibid. vs. 469-472)

Ganymedes, die het spel zo charmant begon met zijn geschenk van Jupiter, heeft ook het laatste woord: nu het huwelijk voltrokken is reist hij terug naar de goden die zich zullen vermaken over Cupido, die voortaan niet meer met pijlen maar met liefdesgedichten de harten der mensen zal verwonden. Tot nu toe is de bruid er wat bekaaid van afgekomen, maar Vondel maakt dat helemaal goed door voor ‘schoonooghde Leonoor’ een gedicht van veertig verzen te laten volgen, ‘Aen de Bruid’.

Met al deze afwisseling, toegespitst op het dichterschap van de bruidegom en de charme van de bruid, geeft Vondel een zeer persoonlijke draai aan het gelegenheidsgedicht. Dat is niet altijd het geval. Er is zelfs een tafelspel dat voor iedere bruiloft geschikt is: het Bruylofts tafel-spel, vertoont door Cupido, Bacchus, Venus, Hymen, Min- Wijn- en Bruyloft-goden, en Comus, de Bras-god (1647). Dit spel is beroemd vanwege een opvoering in 1658. Van dat jaar zijn in de schouwburgrekeningen de rolverdelingen bewaard: Jan Pietersz Meerhuijsen (een bekend balletdanser) vertolkte de rol van Venus, en Susanna Eeckhout speelde de mannenrol van Comus, de losbandige zoon van Bacchus. Heel veel stelt het niet voor: die hele rol van Comus omvat niet meer dan zeven verzen. En heel verwonderlijk is deze rolverwisseling ook niet: Comus is immers de god van het losbandige feesten, en in het bijzonder van de travestie. Hier toont hij zich een ijverige gastheer, die voor Cupido en Bacchus een aparte tafel heeft gereserveerd:

Comus. Beneden staet gedeckt een tafel voor u tween;
.        Om t’eten by het volck, dat weet ghy is verboden,
.        Om dat de mensch hem soo gemeen maeckt met de Goden.
.        Dan sult ghy slechten al ’t voorgaende misverstant,
.        En setten daer malkaer de Beecker op de handt.
.        Bacche ick heb voor u een Peper-worst gebraden,
.        En Venisoen-Pasteyen voor u Cameraden.
.                        (Bruylofts tafel-spel, vs. 452-458)

Hoe lang de traditie van tafelspelen werd voortgezet is te zien aan het Een tafelspel van twee personages deene genaempt de wijncan dander die pispot, waarvan een zestiende-eeuws handschrift bewaard wordt in de verzameling van de Haarlemse Sociëteit ‘Trouw Moet Blijcken’. Het onderwerp lijkt ordinair, maar dat weerhield schrijvers er niet van nog tweehonderd jaar varianten hierop te maken. Een uitbreiding tot drie personages (met de tabaksrol) verscheen bij Anthonie Later (werkzaam in Vlissingen van 1625 tot 1632 en vervolgens in Middelburg). Dit spel werd anoniem herdrukt in 1647 (tekst bij Ceneton) en zelfs nog in 1759 bij een consortium van uitgevers. De discussie blijft natuurlijk onbeslist, maar de pispot heeft wel heel sterke argumenten: hij is nuttig om de viezigheid die de anderen veroorzaken netjes af te voeren.

Tot in de achttiende eeuw is het een productief genre: in 1751 verschijnt nog het Tafelspel ter bruilofte van den heere Petrus Smids en jonckvrouwe Margareta Engelbregt van Pieter Langendijk. De herdruk van het tafelspel met de wijnkan in 1759 toont dat er toen ook voor de oude spelen nog belangstelling was.

Over Vondels Brvyloftbed voor het huwelijk van Pieter Cornelisz. Hooft en Leonora Hellemans, bezien tegen de achtergrond van het genre der tafel- en bruiloftsspelen in de XVIIde eeuw schreef Patricia Lammens-Pikhaus een opstel in Visies op Vondel na 300 jaar, onder redactie van E.K. Grootes en S.F. Witstein (Den Haag 1979). De tekst van het Bruyloftsbed is op de website van de opleiding Nederlands te Leiden te vinden bij Ceneton:

http://www.let.leidenuniv.nl/Dutch/Ceneton/VondelBruyloftbed1627.html

Daar staan ook de het Bruylofts tafel-spel en de Wijnkanne, beide van 1647.

Dit bericht is geplaatst in column, letterkunde, websites met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter