Slowquiz: Wat weten we nog van die neerlandici?

Gegroet, vrienden van de verscheiden neerlandici! Naarmate de weken vorderen zullen we bij de slowquiz steeds vaker in herhaling vallen, omdat verscheiden neerlandici nu eenmaal twee keer per jaar herdacht kunnen worden (op hun geboortedag en op hun sterfdag). Zelden zal die herhaling echter zo snel optreden als bij deze week herdachte Harry Prick, die de dag na zijn verjaardag overleed.

In de afgelopen week kwam ik overigens ook nog een artikeltje tegen van Jozef (Jef) Leenen, die geheel ten onrechte nog niet in onze lijst was opgenomen. Hoewel zijn sterfdag op 29 juli net voorbij is, heb ik ook de slowquiz van die week aangepast, zodat u een eventuele herinnering nog daar kunt toevoegen.

Blijft u lezenswaardige verhalen insturen! Neemt u bijvoorbeeld een voorbeeld aan Freek van de Velde, die de vorige week met mooie anekdotes over Bilderdijk en Gysseling kwam. Denkt u niet (zoals hij) dat geboekstaafde verhalen uit het verleden algemeen bekend zijn, want dat blijkt in de praktijk wel mee te vallen (of tegen, het is maar hoe je het bekijkt). Hoe dan ook, de slowquiz biedt ook ruimte aan verhalen die iedereen al kent!

zondag 10-09-1921 geboortedag Antonin van Elslander
maandag 11-09 Geen neerlandici geboren of gestorven
dinsdag 12-09 Geen neerlandici geboren of gestorven
woensdag 13-09-1809 geboortedag Lamert te Winkel
13-09-1909 geboortedag Klaas Heeroma
13-09-1925 geboortedag Harry Prick
13-09-1999 sterfdag Johan Diepstraten
donderdag 14-09-1963 sterfdag Jan Lindemans
14-09-2006 sterfdag Harry Prick
vrijdag 15-09 Geen neerlandici geboren of gestorven
zaterdag 16-09-1845 sterfdag Johannes Kinker
16-09-1909 geboortedag Fernand Lodewick
Dit bericht is geplaatst in quiz met de tags . Bookmark de permalink.

Één reactie op Slowquiz: Wat weten we nog van die neerlandici?

  1. Marc Beerens schreef:

    Harry G.M. Prick heeft een wat minder bekend, maar heel mooi In Memoriam geschreven voor Anton van Duinkerken, zijn oud-docent aan de Katholieke Universiteit Nijmegen eind jaren ’50 en begin jaren ’60, verschenen in ‘Raam’, september 1968. Het portretteert zowel Van Duinkerken als docent en als mens, als Harry Prick als auteur van prachtig verzorgde zinnen. ‘Zovelen slikken liever hun tong in dan eens spontaan iets aardigs en bemoedigends te zeggen’ – maar niet Van Duinkerken, en ook Harry G.M. Prick niet, zoals het onderstaande mag uitwijzen.

    Naast het college

    Toen ik mij eens tegenover Anton van Duinkerken liet ontvallen dat ik zo zielsgraag Frans Erens van nabij gekend zou hebben, bracht hij onmiddellijk in herinnering hoezeer uitgerekend Erens de opvatting huldigde dat men, om een mens volkomen te bewonderen, hem níet persoonlijk gekend zou moeten hebben. Wanneer men niet met hem in aanraking was geweest in levenden lijve, zo meende Erens, kon de bewondering veiliger stijgen tot een ideële graad. Of Van Duinkerken toen Erens’ opvatting onderschreef, herinner ik mij niet meer. Ik herinner het mij niet meer omdat ik op dat ogenblik in pijnlijke verwarring raakte doordat ik moest terugdringen wat spontaan in mij bovenwelde: dat in elk geval mijn bewondering voor Van Duinkerken in het persoonlijke verkeer een krachtige bevestiging had gevonden. Maar zo iets te zeggen zou om allerlei redenen ongepast zijn geweest, onder andere omdat het mijn gesprekspartner in grote verlegenheid zou hebben gebracht, al was het volstrekt niet uitgesloten dat Van Duinkerken even hoffelijk als slagvaardig de situatie gered zou hebben door op gelijke wijze te reageren als Lodewijk van Deyssel in voorkomende gevallen placht te doen: ‘Als ik goed begrijp, hoor ik dat mij hulde gebracht wordt’.
    Het is een verdrietige gedachte dat nu, nu hij er niet meer is, mag worden uitgesproken wat toen verzwegen moest blijven of alleen maar tot uiting kon worden gebracht in de vorm van een extra fijne sigaar, een hem nog onbekende en nu met genietende lippen door hem geproefde drank, een brief van Geertruida Bosboom-Toussaint waarop ik de hand had kunnen leggen en waarvan hij nu, naar zijn eigen woorden, de voor altijd daarop trotse bezitter werd. Van tijd tot tijd memoreerde hij dit geschenk zonder te vermoeden wat dan in mij omging. De argeloosheid van zijn vreugde over dit bezit contrasteerde op zo’n ogenblik wel zeer met de schaamte die mij bekroop bij de wetenschap dat ik er zonder veel moeite afstand van had gedaan, ja, eigenlijk alleen omdat ik daarmee tegenover hem wellicht iets kon goedmaken. Bij herhaling toch had hij mij verzekerd – de eerste maal op een vergevorderd uur in een rumoerig Akens mosselrestaurantje – dat mevrouw Bosboom-Toussaint tot de Grote Drie onder de romanciers behoorde. De andere leden van deze trits waren Dickens en Tolstoi, edoch, let wel, versta mij goed: Geertruida was onmiskenbaar de grootste! Eerder had hij geschreven: ‘De matige lofspraak van Frans Erens voor mevrouw Bosboom-Toussaint is een zwakheid in zijn kritisch werk, niet om de lof, maar om de matigheid’.
    Nu was Van Duinkerken mij zo uitermate sympathiek dat ik er eenvoudig onder gebukt ging niet precies zoals hij over mevrouw Bosboom te kunnen spreken en denken. Dat niet te kunnen ervoer ik als een tekort in mijn genegenheid voor hem. Een hele zomervakantie lang heb ik dagelijks met mevrouw Bosboom geworsteld, zoals dat zeer ontoereikend heet. Daarna heb ik het voorgoed opgegeven; het water bleef veel te diep. Het doet er vanzelfsprekend volstrekt niet toe wat ik van mevrouw Bosboom al dan niet vind. Ik vertel dit alleen om te doen uitkomen welke stimulansen er van Van Duinkerken konden uitgaan, zonder dat hij dit zelf bevroedde.
    Onvergetelijk blijven de uren die ik, na afloop van zijn woensdagse en donderdagse colleges, met hem mocht doorbrengen in ‘Old Dutch’, aan de Nijmeegse Burchtstraat. Veiligheidshalve stelden wij dan tevoren het tijdstip vast waarop weer moest worden opgebroken. Het eerste half uur zette Van Duinkerken doorgaans zijn college nog even voort. Ik kreeg dan, zoals hij het met zelfironie noemde, alvast de primeur van het vervolg. In de tweede helft van zo’n samenzijn dempte hij herhaaldelijk zijn stem tot het fluistermompelen dat bij zijn pseudovertrouwelijke mededelingen paste. Even om zich heenblikkend of wij ons wel buiten gehoorsafstand van de andere bezoekers bevonden, onthulde hij dan met zich duidelijk op zijn buik aftekenende binnenpret dat mijnheer Mak een om verbetering schreeuwende fout in zijn – Van Duinkerkens – uitgave van het Sacramentsspel vander Nyeuwervaert simpelweg over het hoofd had gezien. Bij het opheffen van het derde of vierde glas bier kon hij aan het gezondheid-wensen soms in éen adem toevoegen dat het bier wel weer best was, maar dat zich onder die Rijnsburgse Collegianten toch enkele heel rare sijzen hadden bevonden. En als je alles goed naging, maar dat was strikt genomen nog nooit voldoende indringend gebeurd, dan had Joachim Oudaen in 1648 niet de minste reden gehad om zus of zo te schrijven. Maar ja, wat wil je, die jongen had het bij Petrus Scriverius ook niet zo gemakkelijk gehad en bovendien was hij toch al voldoende gestraft geworden nademaal hij door zijn overlijden op 26 april 1692 te Rotterdam voorgoed de kans was misgelopen om nog te kunnen lezen wat Chateaubriand in 1833 zou schrijven in zijn Mémoire sur la captivité de Madame la Duchesse de Berry. Maar dit even in vertrouwen en even terzijde. Overigens wilde hij nu eindelijk wel eens van de bieren overgaan op de borrel.
    Deze en gene heb ik met dergelijke monologen de draak horen steken. Zelf kon ik er nooit genoeg van krijgen, evenmin als het mij ooit hinderde wanneer zijn volzinnen bol stonden van feitelijke gegevens en van wel eens irrelevante bijzonderheden. Onderweg naar de Regentessestraat [waar Van Duinkerken woonde – MB] werden wij op zekere dag opgehouden door de verkeerslichten van de Oranjesingel. Wij slaagden er maar niet in die singel over te steken, want telkens als het licht op veilig sprong was Van Duinkerken door zijn betoog zo in beslag genomen dat wij passen op de plaats bleven maken. Wilden wij oversteken, dan stond het sein weer op onveilig. Bij die gelegenheid vroeg ik hem op de man af of er voor hem van spelevaren op de vijver van het irrelevante een soortgelijke verleidingskracht uitging als die ik zelf daarvan meende te ondergaan. Hij gaf toen ronduit toe dat hij er vaak weerloos tegen was.
    Spelevaren deed Van Duinkerken, als hij er maar even de tijd toe vond, ook graag in zijn brieven. Een alleraardigst voorbeeld daarvan geeft het volgende brieffragment: ‘Zuiver om informatieve reden bericht ik even, dat ik woensdag om 10 uur Hadewychs strofische gedichten ga behandelen, om 11 uur de prozatechniek in de zeventiende eeuw en donderdag om 11 uur voorlopig “Mijne Verlustiging” van Bilderdijk. Ik hoorde, dat je spijt had de weg naar Anna Pruyssenaer niet te hebben kunnen volgen. Het was toch maar een tamelijk begaanbaar pad in vergelijking met de weg naar Catharina Rebecca. De colleges gaan overigens in hoofdzaak over de vraag, hoe de bundel is opgebouwd. Dit is zowat ten achterste voren gebeurd. Vrijdag voor de candidaten begin ik met de Roemster van de Aemstel, ga dan langs Vondels Rijnstroom naar het Sparen van Lukas Schermer met zijzicht op andere stroomgedichten. Deze mededeling dwingt tot niets, hoogstens tot het meebrengen van sigaren voor na afloop’.
    Het lijkt mij tekenend voor Van Duinkerken, deze berichtgeving die aan de geadresseerde Hadewych en aan zichzelf een welverdiende sigaar in het vooruitzicht stelde. Toen de weg naar Catharina Rebecca Woesthoven, weldra mevrouw Bilderdijk, begaan werd, was het wintertij reeds ingevallen. Dit hield in dat Van Duinkerken nogal eens bij het afrekenen de kelner betrok in zijn voorpret over de erwtensoep met kluif die hem zo dadelijk thuis zou wachten. Hij placht dan sterk in twijfel te trekken – en hij lardeerde deze twijfel met een citaat uit Gogol, dat mijn geheugen helaas weigert uit te leveren – of enige andere soep ter wereld het zou kunnen halen bij die waarvan alleen aan zijn vrouw het recept bekend was. Als zoveel anderen raakte ik dan onder de indruk van de benijdenswaardige ongedwongenheid, het bepaald losse gemak waarmee hij kelner met de kelners en, bij andere gelegenheden, hovenier met de hoveniers, stratenmaker met de stratenmakers kon zijn. Zelfs zijn bastaardvloeken paste hij moeiteloos aan bij die welke in het spraakgebruik van de door hem toegesprokene opgeld deden. Alleen met geaffecteerdheid wist hij geen raad. Het lag sinds lang in zijn voornemen om iemand te bezoeken die ik tamelijk goed kende. Toen dit bezoek ten slotte zijn beslag scheen te gaan krijgen, vertelde ik terloops dat een butler daar zijn jas en hoed in ontvangst zou nemen. Dit vooruitzicht amuseerde hem, maar bij raakte zichtbaar in de war toen ik vervolgde dat de geaffecteerdheid van deze butler rivaliseerde met die van zijn heer en meester. Van Duinkerken zag toen voorgoed van dit bezoek af!

    Ieder mens heeft wel eens behoefte aan een blijk van meeleven, aan een moreel schouderklopje, aan een pluim op zijn hoed, als het even lijden kan. Bij Van Duinkerken kon het altijd lijden. Het minste wat hij zei, en dat kon al heel weldadig aankomen, was dat hij een artikel van je gelezen had. Was bij zo vriendelijk deze constatering uit te breiden tot de mededeling dat hij je artikel met profijt gelezen had, dan zei bij daarmee iets waar sommige naturen maandenlang op kunnen teren. Men vergisse zich niet! Dit is iets heel bijzonders dat allernadrukkelijkst gememoreerd moet worden. Zovelen slikken liever hun tong in dan eens spontaan iets aardigs en bemoedigends te zeggen. Toch is juist dit laatste een vorm van praktisch Christendom.
    Anton van Duinkerken wist enorm veel, hij was verschrikkelijk geleerd, hij had alle boeken van de wereld gelezen, zo vertelde mij een eenvoudige ziel enkele dagen na zijn overlijden. Inderdaad, Van Duinkerken wist enorm veel, hij had het Evangelie gelezen en hij heeft geleefd naar wat daarin te lezen staat.

Laat een reactie achter