Gedicht: Prudens van Duyse – De graankorrel

De graankorrel

Drie duizend jaren zijn vervlogen.
Den nacht der pyramide onttogen,
Herziet de momie ’t licht: een wenk!
Geen windsels, die ze meer omprangen,
Heur hand ontsluit: wat houdt ze omvangen?
Een korrel, heilig grafgeschenk.

De onschatbre schat, dien zij bewaarde,
Vertrouwt men aan de moederaarde:
Uit haren schoot ontkiemt, en schiet
Omhoog, met milde korenaren,
Een kloeke halm, die voort zal baren,
En ’t momiegraan weer allen biedt.

Die korrel, stijgend uit den nachte
Der tombe, dat is de gedachte:
Wie stelt aan heur bevruchting grens?
Geen menschenmacht kan haar vernielen.
Onsterflijk voedsel van de zielen,
Blijft zij het erfdeel van elk mensch.

Ken, dichter, dan uw priesterwaarde:
Uw rijk is niet van dezer aarde.
Sta voor geen roem uw zending af!
Zing liefde, hoop, geloof en rede,
En draag een korrel met u mede!
’t Staat vast: eens breekt zij uit uw graf.

Prudens van Duyse (1804-1859)

 

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter