Slowquiz: Wat weten we nog van die neerlandici?

Gegroet, vrienden van de verscheiden neerlandici! Zes neerlandici gedenken wij in de komende zeven dagen, maar ze zijn niet gelijkelijk verdeeld over de week. Vandaag en morgen gaat u maar iets voor uzelf doen, maar daarna kunt u weer volop meedoen aan onze leerzame slowquiz. Natuurlijk kunt u in de komende dagen ook nog (of: alvast) anekdotes toevoegen, of u kunt de redactie erop wijzen dat er nog neerlandici ten onrechte niet in de lijst opgenomen zijn (zoals gisteren nog gebeurde). Er moeten per slot van rekening meer dan 230 neerlandici zijn die de geschiedenis van de neerlandistiek geschreven hebben!

Denkt u dus nog eens terug aan uw studietijd, of aan al die werken van bekende en minder bekende neerlandici die u de ogen geopend hebben voor ons mooie vak, en ontrukt u hun namen aan de vergetelheid.

zondag 23-06 Geen neerlandici geboren of gestorven
maandag 24-06 Geen neerlandici geboren of gestorven
dinsdag 25-07-1880 geboortedag Frans Schuringa
woensdag 26-07-2016 sterfdag Joris Gerits
donderdag 27-07-1968 sterfdag Willem Asselbergs (Anton van Duinkerken)
27-07-2007 sterfdag Jos Hermans
vrijdag 28-07-1860 geboortedag Adriaan Beets
28-07-1942 geboortedag Fritz Ponelis
zaterdag 29-07-1976 sterfdag Jef Leenen
Dit bericht is geplaatst in quiz met de tags . Bookmark de permalink.

13 reacties op Slowquiz: Wat weten we nog van die neerlandici?

  1. Hanneke Eggels schreef:

    Hanneke Eggels: ‘Een scherf van het volmaakte. De queeste van Menno ter Braak. Nieuw Letterkundig Magazijn: Jrg. 24, nr. 1 , augustus 2006, p. 1-7.

    Over Anton van Duinkerken in Het plagiaat, nagekomen romanfragment gepubliceerd in het naoorlogse tijdschrift ‘Libertinage’

    Een belangrijke scherf die Menno ter Braaks’ heilstaatgedachte onverwacht in verband brengt met de existentiële angstervaring die al eerder in zijn roman Hampton Court uitgebreid werd beschreven, is ‘Het plagiaat’. Het is een fragment van een onvoltooide roman, waaraan Ter Braak werkte tot kort voor zijn dood op 15 mei 1940, bestaande uit drie hoofdstukken van in totaal twintig pagina’s. De redactie van het tijdschrift Libertinage, waarin het fragment voor het eerst werd gepubliceerd, leidde uit notities van de auteur af dat ‘Het plagiaat’ een grote roman had moeten worden met talrijke personen. Daarbij werd ook gewaardschuwd tegen voorbarige conclusies over de bedoelingen die de auteur met het boek had.

    Fragment uit de synopsis van ‘Het plagiaat’

    In hoofdstuk I zit de ongeveer veertigjarige Andreas Laan, de hoofdpersoon met autobiografische kanten die de lezer al kende uit Ter Braaks eerste roman Hampton Court, op zijn kamer op de redactie van het liberale tijdschrift De Echo te werken. Hij wordt daar door Van Waveren, zijn serviele redacteur Buitenland, attent gemaakt op een artikel in het katholieke tijdschrift Onze Strijd, dat treffende overeenkomsten vertoont met een door Laan gepubliceerd artikel over psychoanalyse. Laan vat dan het plan op de hoofdredacteur van Onze Strijd, Xaverius Janssens (Anton van Duinkerken naar het leven getekend), met deze kwestie eens flink te laten schrikken.4
    Hoofdstuk II wordt ingeleid door de beschrijving van gedachten van Laan over Janssens, een gewezen seminarist en oud-studiegenoot in de rechten. Enerzijds bewondert hij diens onafhankelijkheid, anderzijds keurt hij zijn oneerlijke eerlijkheid af. Later tijdens een gesprek brengt Laan de kwestie van het plagiaat ter sprake. Janssens wil meteen werk maken van de zaak, maar Laan zegt hem met de naam van de schrijver al tevreden te zijn. Als hij die weet, verliest hij verder alle interesse in de zaak.

  2. HC schreef:

    Ging deze rubriek misschien wel uitsluitend over ‘Nederlandse’ neerlandici? Nee, stel ik vandaag vast, want Joris Gerits, mijn oud-docent Nederlandse taalbeheersing, was een Vlaming. Laat dat nu niet meteen het boeiendste vak zijn uit de filologie, en al zeker niet voor Vlaamse studenten die het meest om de oren werden geslagen met hun “verantwoordelijkheid” om later het goede – sterk noordelijke versie – Nederlands door te geven, hij gaf het toch maar op een wijze dat je dat aspect moeiteloos vergat en zonder je het gevoel te geven dat je in een cursus zeg-niet-zeg-wel zat die je grondig zou ontluizen van al je verderfelijke Vlaamsismen (in de brede zin des woords). Een vleugje humor ontbrak nooit, net zo min als (zoals studenten dat dan plegen te formuleren) dat ‘tikkeltje menselijkheid’ van de docent die zijn studenten niet louter als nummers beschouwt. Kortom, alleen maar goede herinneringen.

    • Peter-Arno Coppen schreef:

      Nee, het is zeker niet de bedoeling om de Vlaamse neerlandici uit te sluiten of zelfs maar minder aandacht te schenken! Ik ben blij met je herinnering, maar je maakt ons nu wel benieuwd naar dat vleugje humor. Heb je daar geen concrete voorbeelden van?

      En als er nog lezers zijn die andere Vlaamse neerlandici kennen (of neerlandici van welke landsaard dan ook) die in de lijst ontbreken: wij houden ons aanbevolen!

      • HC schreef:

        Nee, jammer, een concreet voorbeeld heb ik daar niet (meer) van, vreselijk toch hoe alles vervaagt: later herinner je je hooguit nog dat iets goed was of leuk, maar waarom precies kun je niet meer invullen …
        Tenzij misschien het volgende, wat persoonlijker wedervaren, al is dat niet meteen een voorbeeld van dat “vleugje humor” in zijn lespraktijk of van het type “beklijvende herinnering” dat hier wordt verwacht. Het was in mijn eerste jaar en kennelijk (dat leerde je dus ook) was het een traditie dat er, luttele weken na het begin, een brood-kaas-en-wijnavond werd gehouden, waarop ook de proffen aanwezig waren, meer nog, waar ze allemaal even een nummertje mochten komen opvoeren. Die prof-fessionele bijdragen waren eigenlijk best knap: dat leek vooraf niet evident, want oreren over de 2de Germaanse klankverschuiving of het auteurschap van Egidius (die de hele nacht op de zwier was geweest) was van een heel andere orde dan een zaal plat krijgen met je talenten als rasverteller, toneelspeler en stand-upcomedian. Ik herinner me niet meer precies welk verhaal Joris Gerits bracht, met overtuiging trouwens, want de zaal hing aan z’n lippen, maar het had ongetwijfeld te maken met de wereld van studenten en proffen, zoals wij die nog maar kort proefondervindelijk hadden leren kennen. De pointe werd ingeleid door een vraag die retorisch moet zijn geweest en waarop hij antwoordde, terwijl hij met zijn hele rechterarm annex uitgestoken wijsvinger kaarsrecht in mijn richting wees: “Nee, maar zie je daar die jonge kerel achteraan in de zaal die nooit naar de les komt? Wel, …” De rest van het antwoord heb ik niet gehoord, want op hetzelfde ogenblik draaide iedereen zich naar mij om en werd ik aangekeken, aangestaard en aangegaapt alsof ik de grootste brosser (spijbelaar) aller tijden was. Quod non, maar probeer dat op zo’n onverwacht en als gênant aan te voelen en/of te bestempelen moment maar eens geloofwaardig uit te stralen. En dat ik niet alléén in dat deel van de zaal zat, maakte op geen kip indruk: mijn naaste buren zaten duidelijk niet exact in dezelfde wijsrichting. Zelf omkijken à la Mr Bean was ook geen optie: met de muur achter je bereik je zo niets. Het enige wat ik dus kon doen was minzaam (glim)lachen, niet te opvallend en ook niet te zuur, alsof ik de humor van de situatie best kon smaken en het schoentje van de spijbelstudent mij niet noodzakelijk paste (of misschien net wel, want als ‘levensgenieter’ krijg je soms extra vrouwelijke aandacht).
        Waarom Joris Gerits mij daar (bijna letterlijk) viseerde, is in deze een natuurlijk opborrelende vraag, maar naar alle waarschijnlijkheid was er geen waarom. Van mijn spijbelgedrag, toen sowieso zeer beperkt, kon hij eigenlijk niets weten, want zijn lessen had ik nog niet gemist (en andere amper). Wellicht was het gewoon de toevallige ingeving van het moment: hij moest iemand aanwijzen en daarbij was elk van mijn aanwezige medestudenten een even denk- en/of dankbaar slachtoffer geweest. Maar het lot was mij nu eenmaal, euh, gunstig gezind …

        PS Ik stuur nog wel enkele namen door, die ik toevallig ken, maar er zijn ongetwijfeld veel meer Vlaamse neerlandici van wie ik niets weet …

  3. Ad Foolen schreef:

    Professor Asselbergs

    In mijn laatste jaar van de middelbare school werd de vraag steeds dringender wat ik zou gaan studeren. Biologie was een optie, ik deed gym-bèta, maar ik was ook een echte lezer. De voorstad groeit van Louis Paul Boon was een van de boeken die indruk op me maakte. Op een of andere manier bracht onze leraar Nederlands op het Van der Puttlyceum in Eindhoven, de heer Van der Loo, ter sprake dat Anton van Duinkerken ook hoogleraar Nederlands in Nijmegen was. Ik had nog nooit in m’n leven een hoogleraar gezien, maar toen eind januari 1968 de Katholieke Universiteit een voorlichtingsdag hield, was daar de gelegenheid. In een koud zaaltje in de grauwe gebouwen van Wis- en Natuurkunde zaten dr. Nuytens en prof. Asselbergs op een verhoogd podium, in het zaaltje wat verwaaide middelbare scholieren. Noch Nuytens noch Asselbergs waren erg spraakzaam, maar ik moet toch onder de indruk geweest zijn, want ik besloot dat het inderdaad Nederlandse taal- en letterkunde zou worden. Eind juli las ik in het Eindhovens Dagblad dat professor Asselbergs overleden was. Dat was een domper, maar toch toog ik eind augustus naar Nijmegen waar in september 1968 in Stella Maris op de Schaeck Mathonsingel de colleges Nederlands begonnen. Zonder professor Asselbergs.

  4. Marc Beerens schreef:

    Bij een herdenking van Asselbergs’ honderdste geboortedag in 2003 organiseerde de Nijmeegse Faculteit der Letteren op 19 september van dat jaar een symposium met voordrachten van P.J. Buijnsters, W.A.M. de Moor en J.J.V.M. de Vet, allen oud-studenten van Asselbergs. Ze werden gebundeld in de brochure ‘Herinneringen aan Anton van Duinkerken ter gelegenheid van zijn honderdste geboortejaar’.
    Het stuk van Buijnsters, ‘Anton van Duinkerken als hoogleraar, een Nijmeegse herinnering’, is een ‘must read’ voor iedere geïnteresseerde in de geschiedenis van neerlandistiek en neerlandici, een liefdevol portret van Asselbergs als neerlandicus – ‘Voor Asselbergs was literatuurstudie een kwestie van historische affiniteit en inlevingsvermogen’ – en docent, doorspekt met typisch Buijnstersiaanse anekdoten. Ik citeer er twee, maar leest u zelf dit stuk en deze brochure, het is echt de moeite waard!

    ‘In dezelfde lijn van aandacht verlangende dominantie lag [Asselbergs] rol bij de toen nog zeldzame voorlichtingsdagen voor abituriënten van de middelbare school. Natuurlijk kwamen die lui in zijn optiek allereerst om hem. Wie naar een circus ging, wou toch ook per se de leeuw gezien hebben. In 1956 stond hij nog volop in de schijnwerper. Toen de Nijmeegse neerlandici in april van dat jaar met hem en zijn vrouw een meerdaags bezoek aan Parijs brachten en daar dankzij hem bij hoge uitzondering toegang vonden tot de vergaderzaal van de Académie française, nam hij spontaan de regie van onze Franse gastheer Pierre Brachin over. Als dank en tevens als reactie op zijn colleges [Buijnsters memoreerde eerder in zijn stuk dat een daarvan ging over ‘de schildpad in de wereldliteratuur’] kreeg hij op de terugreis in de bus van enkele studenten een in Parijs gekochte schildpad aangeboden, wat aan de Franse grens voor urenlang oponthoud zorgde.’

    ‘Ik herinner me een bijeenkomst in Utrecht van de commissie voor literaire opdrachten. Ik was daar per auto heengegaan als Nijmeegse remplaçant voor Asselbergs. Maar hij verscheen zelf ook, al waren zijn eerste woorden tot voorzitter Stuiveling: “Ik moet snel weer naar huis (…)”. Waarop ik: “U kunt met mij per auto terugrijden.” De punctuele Stuiveling hield ook echt om vier uur op, waarna Asselbergs en ik ons op weg begaven naar de auto. “Maar eerst nog even een harinkje eten,” zei Asselbergs en schoot een café binnen. “Ober, hebt u een haring? Nee? Dan maar een borrel, ook voor mijn chauffeur.” Wijselijk hield ik het op iets niet-alcoholisch. Deze procedure herhaalde zich in drie achtereenvolgende etablissementen. Eindelijk was mijn auto in zicht, maar daar kwam op het trottoir een of andere pater aangesneld, voor Van Duinkerken een goede bekende uit zijn Amsterdamse tijd. “Hé zeg, jij hier, heb je zin in een haring?” “Nou nee, ik moet nog naar Hoorn.” “Geen probleem, we hebben een chauffeur bij ons.” Alleen door een godswonder slaagde ik erin om professor Asselbergs tot andere gedachten te brengen.’

  5. Anton schreef:

    Godfried Bomans geeft ook een aantal fijne anekdotes over Asselbergs.

    Die hebben bij mij de vraag doen postvatten of Asselbergs niet naast een ongehoord combinatorisch vermogen ook een bijna volmaakt geheugen moet hebben bezeten.

    Elke losse flodderhint in die richting is me bijzonder welkom. (Als bouwsteen natuurlijk, niet als bewijs, u begrijpt….)

    • Marc Beerens schreef:

      Buijnsters alludeert hier ook op: ‘[Asselbergs] had bijna alle benodigde boeken in huis of, eenmaal elders gelezen, in zijn kop.’ Wellicht speelt een rol: als Anton van Duinkerken was Asselbergs ook journalist, een métier waarin een goed geheugen en parate kennis van pas komen, bijvoorbeeld als er een necrologie moet worden gefabriceerd.
      Ik ken de anekdotes van Bomans over Asselbergs niet, ik houd me zeer aanbevolen!

      • Anton schreef:

        Ja, die journalisten waren er, toen.

        Ik zal eens zoeken. Ook in het register op de werken van G. Bomans dat ik nog ergens moet hebben.

  6. Anton schreef:

    Bomans’ opstellen over Gezelle, Streuvels zijn ook niet te versmaden. En over Dickens, Goethe, … etq.

Laat een reactie achter