Literatuur voor luistervinken

Door Marc van Oostendorp

“Iedereen weet”, schreef E. du Perron in 1939, “dat over literatuur spreken voor de radio een lager peil, lagere maatstaven vereist, dan zelfs over literatuur schrijven in een provinciale krant.” Want over literatuur praat je natuurlijk niet – je schrijft!

Het was een vaker gehoord geluid in de beginjaren van de Nederlandse radio, laat Jeroen Dera zien in zijn boek Sprekend kritiek. Literatuurprogramma’s in de vroege jaren van de Nederlandse radio en televisie. De radio was sowieso niet een medium voor intellectuelen – te oppervlakkig, te lawaaierig, te nadrukkelijk lonkend naar het platte amusement. Een echte criticus schreef een elegant essay en liet zich niet ringeloren door de snelle jongens van de radio – behalve misschien om een centje bij te verdienen, want ze betáálden kennelijk wel.

Oppervlakkig

Dera beschrijft in dit boek, waarop hij vorige maand in Nijmegen promoveerde, twee perioden in de Nederlandse omroepgeschiedenis: de radio voor de Tweede Wereldoorlog en de televisie in de jaren erna, tot 1975. Voor beiden heeft hij nauwkeurig geconstrueerd welke specifiek literaire programma’s er werden gemaakt, wie er bij betrokken waren, welke schrijvers besproken werden, enzovoort.

Er is uit die ‘vroege jaren’ van de omroep nauwelijks beeld of geluid over, want radio en tv maakte je duidelijk niet voor de eeuwigheid, maar met name bij de radio bestond de inhoud van de programma’s meestal uit voorgelezen tekst, al was het maar omdat het materiaal voor uitzending naar een censuurcommissie moest.  Die schriftelijke versie is soms gearchiveerd, zodat Dera toch een aardig beeld weet te geven van wat er op de radio zoal werd verteld. Hij laat bijvoorbeeld zien hoe P.H. Ritter jr., een vermaard radiocriticus van de AVRO én voor de krant zijn recensies aan het medium aanpakte.

Op de radio was Ritter minder vernietigend dan op papier; de reden daarvoor was dat hij en anderen het ongepast vonden om op een massamedium een boek echt af te kraken. De ‘luistervinken’ – zoals luisteraars werden genoemd met het rare soort tuttige joligheid dat toen populair was – hadden meestal niet echt veel aandacht voor de radio en zouden door al te negatieve praatjes weleens van de hele literatuur worden weggejaagd. Dat kon natuurlijk niet de bedoeling zijn. De meeste sprekers voor de radio gaven daarom een voorkeur aan betrekkelijk neutrale overzichten van het boekenaanbod – wat ze vervolgens weer door de ‘echte’ critici op het verwijt kwam te staan dat ze oppervlakkig waren.

Vrouwbeeld

Dat streven naar neutraliteit werd over het algemeen voortgezet op de televisie. Een scherpe aanval van Joop Klant en Willem Frederik Hermans op een populaire omnibus van de Arbeiderspers – die aanval ging er vooral over dat de opgenomen, inmiddels vergeten romans niet voldoende literair niveau hadden – wekte dan ook enorme beroering. De uitgever van De Arbeiderspers werd zelfs uitgenodigd om in een latere uitzending terug te komen om dit vreselijke onrecht te pareren – wat hij overigens weigerde.

De vorm van de tv-programma’s was wel losser dan die van de radio. Het vraaggesprek brak er bijvoorbeeld door. De focus kwam daardoor meer te liggen op de auteur – op de radio ging het voor de oorlog vrijwel altijd over individuele boeken.  Dera beschrijft bijvoorbeeld een vraaggesprek waarin Andreas Burnier de schrijver Jacques Hamelink het vuur aan de schenen legt over het vrouwbeeld dat hij in zijn boeken  presenteert.

Mediaklimaat

Sommige van de spanningen bleven. Die van het massamedium tegenover de elitaire inhoud bijvoorbeeld. Een criticus als Hans Gomperts wilde ook in zijn tv-werk vooral de elite bedienen, terwijl de dichter Cees Buddingh’ juist probeerde het brede publiek warm te maken door zo informeel mogelijk met mededichters om te gaan.

Dat Dera ervoor heeft gekozen de radio voor de oorlog te nemen en de tv na de oorlog, maakt de vergelijking soms wel lastig. Kwamen veranderingen nu door het nieuwe medium? Door een ander literair of door een ander mediaklimaat? Er gebeurde te veel tegelijkertijd om dat te kunnen zeggen.

Jeroen Dera. Sprekend kritiek. Literatuurprogramma’s in de vroege jaren van de Nederlandse radio en televisie. Hilversum: Verloren, 2017. Bestelinformatie bij de uitgever.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW) en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column, recensies met de tags , , , , . Bookmark de permalink.

3 reacties op Literatuur voor luistervinken

  1. Rob Delvigne schreef:

    De scherpe aanval van Klant en Hermans op de Grote Vier Omnibus was een tv-uitzending van het VPRO-programma Boeken aan het Woord van 7 november 1962. J.J. Klant kraakte de romans van Coolen, Corsari, Fabricius en Jan Mens, waarna W.F. Hermans de uitgever H. van Kuilenburg attaqueerde. Jeroen Dera heeft het programma bij het Instituut voor Beeld en Geluid bekeken en geeft er een uitvoerige samenvatting van. Dera had zich veel moeite kunnen besparen door gebruik te maken van mijn transcriptie van het interview, gepubliceerd in De Revisor van juli 1975 (‘Hermans als interviewer’). Een geïnteresseerde lezer had met een literatuurverwijzing de volledige tekst kunnen vinden op dbnl.nl.
    Lisa Kuitert heeft het vraaggesprek tussen Hermans en Van Kuilenburg nogmaals volledig uitgeschreven in Zacht Lawijd (juli-sept. 2010), een overbodige inspanning.
    Jammer dat het handwerk van de Neerlandicus, kennis van bntl en dbnl, zo slecht wordt aangeleerd. Nu wordt hetzelfde werk herhaald, in plaats van dat er op de bestaande basis wordt voortgebouwd.

    • Voor toekomstige generaties neerlandici die nog wel kunnen googelen en dan toevallig wel hier terecht kunnen: de transcriptie van Rob Delvigne staat hier.

    • Jeroen Dera schreef:

      Beste Rob,

      Veel dank voor je opmerking! Dat “kennis van bntl en dbnl” slecht wordt aangeleerd, is echter bezijden de waarheid. Een groot deel van mijn studie is nu juist gebaseerd op de DBNL; de BNTL is voor menig student bovendien nog altijd het vertrekpunt voor de status quaestionis.

      Had ik mijzelf een hoop werk kunnen besparen door transcripties van het interview te gebruiken? Nee, want de analyses in mijn proefschrift vertrekken uitdrukkelijk ook vanuit het beeldmateriaal (in deze specifieke casus vooral montagekeuzes). Een van de hoofdstellingen van mijn boek is dat de secundaire literatuur over literatuurkritiek te eenzijdig is gericht op papieren bronnen. Juist vanuit die gedachte heb ik ervoor gekozen het originele materiaal te bekijken, te parafraseren en te interpreteren. Dat originele materiaal is namelijk mijn object van onderzoek, niet transcripties daarvan (hoewel ik die natuurlijk in de noten had kunnen noemen voor wie geen tijd, zin of mogelijkheden heeft het programma terug te kijken)

Laat een reactie achter