Gedicht: Jacob Israël de Haan – Kwatrijnen

Jeruzalem.

De stem van Jeruzalem: door de dagen
Roept Jeruzalem, door den donkren nacht.
Als Moeder troost, wanneer haar zonen klagen,
Zóó troost die Stad der Steden onze klacht.

Londen.

Maar de stem van Londen. In u verloren
Valt elke schoone stem. Eén wild geweld.
Boven de lucht, onder den weg, de sporen
Waarlangs het leven naar den afgrond snelt.

Rome.

De Eeuwige Stad. O, Lied, wat is er eeuwig?
Van Rome naar Jeruzalem reisde ik
Langs zeeën diep en bergen bar en sneeuwig:
Ik vond niets eeuwig dan het oogenblik.

Napels.

Hier voel ik weer het lieve leven lichter
En vindt mijn hart, van wroeging vrij, weer vreugd.
Hier ben ik weer de onbekommerde Dichter
Van zon en zee, van jok en jeugd.

Aan Frederik van Eeden.

O, Vriend, dragen uw dagen zwaar in ’t Noorden,
Van droevig werk en wrange zorgen.
Hier bloeit Napels langs zijn ruischende boorden
En is er zon vanaf den morgen.

Jacob Israël de Haan (1881-1924)
uit: Kwatrijnen (1924)

 

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.