Vriendenboekjes in de zestiende eeuw: veel beter dan Facebook

Door Marc van Oostendorp

Mooi onderzoek gaat vaak over nietigheden. Een goede onderzoeker is vaak iemand die iets neemt dat op het eerste gezicht onooglijk en klein is, en laat dan zien dat er een hele wereld in verstopt zit. Mooi onderzoek ontleent zijn glans niet aan de voor iedereen evidente kwaliteiten van het object van studie, maar aan het zichtbaar maken van de onzichtbare.

Zoals het vriendenboekje dat Rutghera van Eck, een adellijke jongedame uit Zutphen, in 1598 begon. Dat album heeft volgens de literatuurwetenschapper Sophie Reinders “tot nu toe een schaduwbestaan geleid”:

Hier heeft beslist aan bijgedragen dat het er absoluut niet spectaculair uitziet. Het album heeft een eenvoudige, witleren band, met daarop de naam van de eigenaresse. (…) Het album oogt ook vanbinnen weinig opvallend. Het aantal kleurenafbeeldingen is klein en beperkt zich zich tot een reeks wapens voorin, die grotendeels ook nog later ingeplakt lijken. Mooie tekeningen ontbreken, het aantal liederen houdt ook niet over en slechts weinige beroemdheden vereerden de eigenaresse met het inschrijven van hun naam en een spreuk.

Op gezette tijden

Echt een onderwerp voor een proefschrift, kortom! Of in ieder geval voor een uiteindelijk heel boeiend hoofdstuk in een ook anderszins adembenemend proefschrift – De mug en de kaars. Vriendenboekjes van adellijke vrouwen, 1575-1640,  waarop Reinders afgelopen dinsdag in Nijmegen cum laude promoveerde.

Juist door zo’n op het eerste gezicht wat saai boekje heel nauwkeurig te bestuderen, laat Reinders zien, kom je ineens heel dichtbij het dagelijks leven in de late zestiende en vroege zeventiende eeuw, zoals in dit geval van Rutghera van Eck. Voor haar was dat boekje namelijk wél heel belangrijk – ze droeg het waarschijnlijk sinds haar meisjestijd haar hele leven met zich mee, en liet er op gezette tijden mensen die een rol in haar leven speelden iets in schrijven.

Korter contact

Omgekeerd kunnen we juist daardoor haar leven beter benaderen dan we anders zouden kunnen. We zien haar vroomheid, we zien dat ze drie keer met een Engelse officier trouwde die in Zutphen gevestigd was, en hoe ze dus ook Engels leerde. We zien hoe ze zich terugtrekt in de periodes dat ze weduwe is.

In de periode rondom 1600 waren alba amicorum populair in adellijke kringen. De boekjes van mannen waren tot nu toe beter bestudeerd dan die van vrouwen – misschien omdat ze meer spektakel bieden. Mannen namen de alba vaak met zich mee op reis en lieten er allerlei mensen (andere mannen) in schrijven die ze onderweg tegen kwamen. Degene die in de boekjes van vrouwen schreven waren waarschijnlijk vaker langdurige bekenden, al reisden ook die vrouwen behoorlijk wat af en hadden ook zij dan korter contact.

Krenten

Reinders heeft haar materiaal met een verbazingwekkende geleerdheid onderzocht. Werkelijk ieder aspect komt aan de orde. De titel – De mug en de kaars – komt bijvoorbeeld uit een hoofdstuk waarin de tekeningen in een emblematische traditie worden geplaatst, maar er is ook aandacht voor het taalgebruik, voor de liedjes, voor de adellijke tradities, voor de discussies over het christendom, en voor allerlei andere onderwerpen. Ze heeft bovendien waarschijnlijk vrijwel ieder album onder ogen gehad. Het proefschrift telt 500 pagina’s, maar je krijgt de indruk dat de auteur zich daarbij nog heeft beperkt: dit móéten wel de krenten uit de pap zijn.

Een beetje Engels

Neem bijvoorbeeld een klein onderwerpje dat mij toevallig bijzonder interesseert: welke talen sprak men in de Gouden Eeuw? Uit eerder onderzoek was naar voren gekomen dat men in adellijke kring toch minstens behoorlijk goed Frans moet hebben gekend. Reinders, wier onderzoek vooral gaat over de oostelijke provincies van Nederland, laat zien dat die kennis van het Frans misschien wel aanwezig was in Holland, maar in de oostelijke provincies minder sporen naliet: en hoe verder naar het oosten, hoe minder Frans er in de alba werd geschreven.

Latijn werd in vrouwenalba sowieso weinig gebruikt; wel werd er een enkel sonnet van Petrarca in het Italiaans geciteerd en kenden sommigen dus kennelijk ook een beetje Engels. De taal die in deze alba werd gebruikt was trouwens nog alles behalve gestandaardiseerd en ligt daarom voor een modern taalgevoel ergens tussen Nederlands en Duits in.

Moderne sociale media

Reinders’ boek is door Vantilt ook nog eens heel verzorgd uitgegeven (in een vormgeving van Brigitte Slangen), met heel mooie kleurenafbeeldingen die uit de alba genomen zijn – in sommige andere dan die van Rutghera van Eck werd namelijk wél heel mooi getekend. Het maakt van De mug en de kaars niet alleen een boek dat een genoegen is om te lezen, maar ook dat een genoegen is om door te bladeren.

In de publiciteit rond Reinders’ boek werd de afgelopen dagen (bijvoorbeeld in dit filmpje) nogal de nadruk gelegd op het feit dat die vriendenboekjes de ‘sociale media’ van de vroegmoderne tijd waren. Ik beschouw dat eigenlijk als niet meer dan een gimmick. De verschillen met Facebook zijn eigenlijk veel interessanter. Reinders laat bijvoorbeeld zien dat het begrip vriendschap in adellijke kring heel anders in elkaar zat: vrienden waren de mensen op wie je kon rekenen, die je zouden helpen als het nodig was – in de eerste plaats je familie. Maar ook de functie van de moderne sociale media in iemands leven is geloof ik anders, al is het maar omdat je in de moderne tijd eigenlijk nauwelijks door je Facebook kunt bladeren om te zien hoe het er allemaal ook weer tien jaar geleden aan toe ging.

Zuiver geloof

Mensen hebben altijd banden gehad met andere mensen, en zolang ze kunnen schrijven hebben ze die banden in geschrifte willen tonen. Veel bijzonderder en interessanter zijn juist de unieke, kleine details – de manier waarop Rutghera stukjes verwijderde die misschien te obsceen waren, de manier waarop ze haar naam veranderde als ze weer een nieuwe man had, de manier waarop ze haar vriendinnen aanspoorden tot een zuiver geloof. Dat is allemaal veel mooier dan Facebook.

 

Sophie Reinders. De mug en de kaars. Vriendenboekjes van adellijke vrouwen, 1575-1640. Nijmegen: Vantilt, 2017. Bestelinformatie bij de uitgever.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW) en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column, recensies met de tags , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter