Paula Fikkert: Van kindertaal tot moedertaal

Door Paula Fikkert

Moedertaalverwerving is voor mij nog steeds een van de meest fascinerende onderzoeksgebieden binnen de neerlandistiek. Kinderen pikken hun moedertaal ogenschijnlijk vanzelf op. Zelf herinneren we ons vaak van alles over het leren van een vreemde taal, maar jammer genoeg geldt dat niet voor het leren van onze moedertaal. Toch hebben we een taalsysteem geleerd dat in het hoofd van iedere moedertaalspreker zit. Het zorgt ervoor dat we het vanzelfsprekend vinden dat we Nederlands spreken en het ook moeiteloos verstaan. Door te bestuderen hoe kinderen zich het Nederlands eigen maken, begrijpen we beter hoe het taalsysteem van het Nederlands wordt opgebouwd.

Vijfentwintig jaar geleden werkte ik samen met Claartje Levelt aan een onderzoek naar de verwerving van de fonologie, het klanksysteem van een taal. Ik was druk bezig systematiek te ontdekken in de enorme verzameling kindertaaldata, die Claartje en ik verzameld, getranscribeerd, en ingevoerd hadden. Deze dataverzameling – het zogenaamde CLPF-corpus – was vijfentwintig jaar geleden bijzonder opzienbarend: het was lang de grootste fonetisch getranscribeerde dataverzameling van kindertaaluitingen die er bestond. Tegenwoordig staat de techniek voor niets en is het verzamelen van data kinderspel. Een indrukwekkend voorbeeld van wat er tegenwoordig mogelijk is komt van Deb Roy op het MIT. Hij bouwde in elk vertrek van zijn huis camera’s in met het doel alle taal vast te leggen die zijn zoon de eerste drie jaren van zijn leven hoorde en sprak. Dat er technisch veel mogelijk is, laat onverlet dat het transcriberen van kindertaal een monnikenwerk is en blijft – misschien zelfs nog wel de volgende vijfentwintig jaar.

Dat de bestudering van moedertaalverwerving inzicht geeft in de grammatica van het Nederlands is niet nieuw. Precies een eeuw geleden schreef Van Ginneken al over de zich ontwikkelende grammatica van Keesje in ‘De roman van een kleuter’ (1917). Hij gebruikte daarvoor dagboeknotities waarin kindertaaluitingen nauwkeurig waren opgenomen. Dit was toen de gebruikelijke manier om taalverwervingsdata te verzamelen. Vanaf de jaren zestig werden taalverwervingsdata eerst door middel van audio- en later video-opnamen verzameld, zodat er meer en meer objectieve data beschikbaar kwamen, zoals bijv. het CLPF-corpus. Door de komst van elektronische archieven, zoals CHILDES, werden die data ook nog eens voor iedereen toegankelijk.

Dat kindertaaluitingen een schat van informatie geven over allerlei aspecten van taal – hoe woorden worden opgeslagen, hoe zinnen worden gebouwd, welke taalprocessen plaatsvinden tijdens de taalproductie – was al duidelijk in ‘De roman van een kleuter’. Maar waar Van Ginneken nog dacht dat het verstand pas wakker werd in het tweede levensjaar, weten wetenschappers nu dat het taalverwervingsproces al veel eerder begint. Zodra de oren functioneren – en dat is al in het laatste trimester van de zwangerschap – luisteren baby’s naar taal.

Het onderzoek naar het taalbegrip van baby’s en peuters kent een traditie van ongeveer een halve eeuw. Sinds de eeuwwisseling onderzoeken we ook in Nederland hoe kinderen hun taal waarnemen. Het Nijmeegse Baby Research Centre (ofwel ‘babylab’) voor taalonderzoek was het eerste in Nederland en werd in 1999 door Anne Cutler opgezet. Inmiddels heeft iedere universiteit in Nederland zo’n onderzoekscentrum, waar baby’s en peuters meedoen aan taalexperimenten, zelfs als ze zelf nog niet praten. Door middel van experimenten wordt getest of baby’s bepaalde klanken kunnen discrimineren, of ze een voorkeur hebben voor bepaalde woorden, of ze ‘fouten’ kunnen ontdekken, etc. Er worden steeds weer nieuwe methoden ontdekt om erachter te komen welke impliciete kennis baby’s al van hun moedertaal hebben. Het is een jong onderzoeksveld, nog volop in beweging.

Zo weten we dat Nederlandse baby’s een voorkeur hebben voor woorden met klemtoon op de eerste lettergreep, dat het ze nauwelijks opvalt als woorden die beginnen met een ‘t’ of ‘d’ met een verkeerde articulatieplaats (bijvoorbeeld met een ‘p’ of een ‘b’) worden uitgesproken, dat ze woorden makkelijker herkennen in liedjes dan in gesproken zinnen, dat ze goed zijn in het discrimineren van Chinese en Limburgse tonen, etc. In deze onderzoeken worden methoden uit de psychologie toegepast om inzicht te krijgen in taal en taalverwerving. Het is prachtig onderzoek, maar er is nog veel aan te verbeteren. Het onderzoek naar taalperceptie beslaat meestal maar een heel specifiek onderdeel (bijv. kunnen baby’s van zes maanden twee klanken van elkaar onderscheiden?), op één bepaald moment, bij een groep baby’s van een bepaalde leeftijd. Er is nauwelijks perceptieonderzoek waarin de ontwikkeling van baby’s in de tijd wordt gevolgd. De meeste resultaten zijn groepsresultaten. We zijn ook nog niet in staat betrouwbare individuele gegevens te verzamelen door middel van perceptie-onderzoek. Ik verwacht dat daar in de komende vijfentwintig jaar grote sprongen worden gemaakt.

We zijn in het taalverwervingsonderzoek al een heel eind op weg. We weten veel over de taalproductie van jonge kinderen. Ook weten we steeds meer over het taalbegrip van baby’s en peuters. Maar wat we nog nauwelijks weten is wat het taalbegrip van een baby nu zegt over zijn of haar taalproductie of latere taalvaardigheid. Er zijn wel wat aanwijzingen dat baby’s die goed zijn in het vinden van woorden in gesproken taal, ook sneller woorden leren. Maar er zijn helaas nog geen betrouwbare taalperceptietesten die goede voorspellers zijn voor latere taalvaardigheid.

Dat komt ongetwijfeld ook omdat het taalverwervingsproces door ontzettend veel factoren beïnvloed wordt: de hoeveelheid taal die kinderen in hun omgeving horen, de kwaliteit van in input, de mate waarop de ouder of verzorger op de (taal)behoeften van het kind inspeelt, hoe veel en hoe succesvol beurtwisselingen tussen kind en ouder zijn, de aanwezigheid en verwerking van visuele en tactiele informatie, de hoeveelheid achtergrondlawaai, of er boeken gelezen worden, of …. De lijst is schier oneindig.

De komende 25 jaar wordt het tijd om de puzzelstukjes die we gevonden hebben aan elkaar te leggen. Om dat succesvol te doen is het van groot belang dat onderzoekers uit verschillende disciplines hun inzichten delen. De specialisten moeten de deuren opengooien en samenwerken. Hoewel interdisciplinariteit al jaren in het managementjargon wordt genoemd, is dat in de academische praktijk niet altijd eenvoudig. Toch hebben psychologen, cognitiewetenschappers, computerlinguïsten en taalkundigen elkaar veel te bieden. Maar ook binnen de discipline van de taalkunde is samenwerking nodig: fonologen, morfologen, syntactici en semantici moeten weer samen op zoek naar de verbindingstukjes. Samenwerking is ook nodig binnen de disciplines van de Neerlandistiek: taalbeheersers en taalkundigen staan samen sterker in het begrijpen van wat nu precies leerzame communicatie is tussen ouders en kind. En ik hoop dat de komende vijfentwintig jaar de letterkundigen, taalbeheersers en taalkundigen een nieuwe roman van de kleuter gaan schrijven, want de roman van Van Ginneken is na honderd jaar wel aan herziening toe.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter