Judit Gera: 25 jaar neerlandistiek, een persoonlijke herinnering

Door Judit Gera

Heeft de neerlandistiek als vak toekomst? Ik weet het niet. Ik weet zelfs niet of mijn land toekomst heeft. Het enige wat ik weet, wat neerlandistiek voor mij betekent.

Dit wordt een veel persoonlijke bekentenis. Het begrip heeft sinds de veertig jaar dat ik aan de universiteit Nederlandse literatuur onderwijs, meerdere gedaantewisselingen voor mij ondergaan. Aan het begin van mijn loopbaan betekende het de grote kans: het was iets nieuws, uitdagend. Het was vooral: iets unieks. In de jaren tachtig van de vorige eeuw in het socialistische Hongarije was er behalve Erzsébet Mollay en István Bernáth niemand die zich systematisch en wetenschappelijk bezig hield met de Nederlandse taal- en letterkunde. Er was duidelijk een hiaat dat ik graag wilde invullen. Er was het plezier van het ontdekken, voortrekker zijn van een goede zaak: een minder bekende literatuur in mijn land te introduceren. Het leek een grootscheeps plan te zijn. Daar hoorde het vertalen van letterkundig werk bij. Er was de Stichting voor Vertalingen die toen nog gratis boeken stuurde. E-mail en internet bestonden nog niet. Ik schreef lange brieven op de tikmachine aan schrijvers en instellingen. Zo ook aan de Universiteit van Amsterdam. Ik vroeg om boeken, boeken en nogmaals boeken voor de prille afdeling waarvan ik medewerker werd. En die kwamen er inderdaad. De hele Prisma-reeks van de Nederlandse literatuur is me in drie grote dozen opgestuurd. Wat was ik er ontzettend blij mee.

Daarna kwamen lange jaren van lesgeven en vertalen. Ik mocht zelf kiezen wat ik wilde vertalen. Het uitgeefproces was totaal anders. En ik bedoel nu niet de censuur. Er was geen censuur wat de Nederlandse literatuur betreft. Toch was ik voor een van de medewerkers van de toenmalige Stichting voor Vertalingen verdacht. Wel was het een gedurfde onderneming om Jan Wolkers’ Terug naar Oegstgeest te vertalen vanwege de schrijvers libertijnse taalgebruik. Maar het werd niet aangepast. Een groter probleem vormde het gebrek aan een degelijk woordenboek Nederlands-Hongaars. Ik moest het stellen met een zakwoordenboek van een Hongaarse dominee. Daar vond ik echter bepaalde woorden die zo graag door Wolkers gebruikt werden, zeker niet. Ook de scheepstermen van Arthur van Schendels Fregatschip Johanna Maria waren er niet opgenomen. Ik had vele onrustige nachten. Maar het was toch het gouden tijdperk voor de Nederlandse literatuur in Hongarije. Op de universiteit was ik één hoofdstuk Knuvelder op mijn studenten voor. Dat zorgde zeker ook niet voor zorgeloze slaap. Maar ik leerde veel. En ondertussen ging ik met verschillende beurzen naar Nederland en Vlaanderen, de twee medailles van hetzelfde, voor mij onbereikbaar Europa. Het is niet volledig waar: Europa werd mij via de Nederlands- en anderstalige literatuur wel bereikbaar. Het was wel een hulpconstructie, omdat de werkelijkheid van dat Europa virtueel bleef, maar goed, daar moest ik het mee stellen.

Na de wende kwam hoop: de hulpconstructie zou ooit werkelijkheid worden. Het verschil tussen mijn land en De Lage Landen bleef nog steeds enorm, maar er was hoop. De Nederlandse Taalunie was een zeer professionele instelling. Deze instelling leerde mij onder andere het moderne financiële subsidiebeleid van aan het eind van de twintigste eeuw. Dat moest omdat ik inmiddels hoofd werd van de Vakgroep Neerlandistiek aan de Eötvös Loránd Universiteit (ELTE), mijn alma mater. Steeds minder boeken kwamen met de post, tenminste steeds minder gratis. Maar we beschikten over een budget waarmee we vrijelijk en zelf mochten beslissen welke boeken we wilden kopen. Dat was volwassen worden. De boekenmarkt begon fors te veranderen. Met de professionalisering kwam beperking van mijn vrijheid in wat te vertalen. Het waren steeds meer de uitgeverijen die beslisten. Geen nood, ik bleef vertalen, ik bleef les geven. Uitgeverijen vonden het geen probleem als mijn vertalingen niet nagekeken werden door iemand die Nederlands kende. Redacteurs spraken of lazen ook geen Nederlands. Daarentegen ontstonden twee andere vakgroepen neerlandistiek in Hongarije. Het vak leverde steeds meer studenten, vakmensen, vertalers op. Dat was een andere soort voldoening dan in je eentje als kartrekker te functioneren. Collega’s gingen met steeds grotere getallen met Erasmusbeurzen naar Nederland en Vlaanderen. De op de tikmachine geschreven brieven werden e-mails. De prachtige DBNL maakte zijn intrede. We waren niet meer zo geïsoleerd. In 2004 werd Hongarije lid van de Europese Unie. Opgenomen in de vaart der volkeren.

Na 2010 is de hoop verdwenen. Hongarije raakte weer geïsoleerd. Een ongrijpbare, autoritaire, ‘illiberale’ regering werd door mijn landgenoten gekozen en is sindsdien in stand gebleven. Alle waarden die mijn leven bepaalden zijn nu door deze regering met de voet vertrapt. Racisme, discriminatie en nationalisme vieren hoogtij. De slechtste tradities zijn in ere gehouden, de mooiste vergeten. Om de plaatsvervangende schaamte te overwinnen voel ik een dwang om aan verandering bij te dragen. Wat kan ik doen? Neerlandistiek blijft mijn toeverlaat, de overgebleven schakel met Europa. Ik geef de waarden van de Europese democratie in mijn lessen van de moderne Nederlandse literatuur bewust door. Zo vertaalden wij met een groep BA derdejaars de panelen en de filmpjes van de reizende Anne Frank tentoonstelling ‘Laat me mezelf zijn’. Sindsdien is deze tentoonstelling zowel in de hoofdstad als in andere steden in Hongarije toegankelijk voor leerlingen en hun leraren.

Het is waar: de meeste studenten verlaten het land na hun studies of gaan bij call-centers werken. Daar komt hen de kennis van het Nederlands goed te pas. Maar ik hoop dat de waarden die ik zo koester en op de lessen overdraag, hen bijblijft. Als ik een prachtige scriptie over de positie van de vrouw in verhalen van Maria Dermoût mag begeleiden of een student mij komt vertellen over een onderzoeksplan over Vestdijk, voel ik dat al die boekendozen van veertig jaar geleden vrucht hebben opgeleverd. Gelukkig zijn er ook knappe vertalers die de Nederlandse literatuur blijven vertalen. De neerlandistiek internationaliseert zich. Grenzen worden overschreden in tegenstelling tot muren die in mijn land tegen migranten getrokken worden.

Of de neerlandistiek toekomst heeft? Ik denk toch van wel – zij het voor mij helaas weer als hulpconstructie op een andere, nog beangstigender manier dan veertig jaar geleden. Van harte gefeliciteerd neerlandistiek.nl!

Dit bericht is geplaatst in column met de tags . Bookmark de permalink.