Johan Oosterman: Gebroken knoppen en nieuwe lentes

Door Johan Oosterman

Rozen verwelken, schepen vergaan…. maar zal de neerlandistiek altijd bestaan? Ik ben er niet zo zeker van. De neerlandistiek is al een tamelijk oude discipline in de academische wereld. De eerste leerstoel dateert van 1797 en de jonge en ambitieuze Willem Jonckbloet durfde enkele decennia later zijn eigen discipline, blakend van zelfvertrouwen, naast de eerbiedwaardige Germanistik te plaatsen. Meer dan twee eeuwen oud. Vele generaties van neerlandici zijn ons voorgegaan. De psychologie en de economie, spraakmakende disciplines in onze tijd, zijn piepjong vergeleken met de discipline waarin ik ben gevormd. Nederlandse Taal en Letterkunde studeerde ik ruim dertig jaar geleden in Groningen, en toen ik even niet oplette was die studie getransformeerd tot Nederlandse Taal en Cultuur. Maar het etiket dat erop geplakt werd bleef dat van de neerlandistiek, een discipline met subdisciplines, waarvan in de tijd dat ik promoveerde de medioneerlandistiek wel de meest assertieve was. Neerlandicus was ik, en ik behorende tot de ondersoort van de Medioneerlandicus. Mooi voor in de eigen biotoop, waar we precies wisten wat we met die etiketten bedoelden, maar onbruikbaar in de grote wereld, want wie weet er nu wat een neerlandicus is?

Als ik in internationale context met mijn vak bezig ben, ben ik een mediëvist, een literatuurhistoricus en volgens sommigen een boekhistoricus. Mijn identiteit als onderzoeker wordt niet primair bepaald door de discipline waarin ik ben opgeleid, maar vooral door die verschillende disciplines waarin ik me steeds meer thuis ben gaan voelen. De neerlandistiek is hooguit een vehikel dat nuttig is om belangen te behartigen en doelen te bereiken, schreef ik vijf jaar geleden in Neder-L. Een boodschappenkarretje, noemde ik het.

Is het dus gedaan met de neerlandistiek? Zien we een discipline langzaamaan verdwijnen in de mist? En is dat iets om verdrietig over te zijn? Ik ween om bloemen in de knop gebroken, maar de neerlandistiek is geen bloem meer in de knop. Het is een volgroeid wetenschapsgebied dat zichzelf een beetje overleefd heeft. Wat we delen is de taal van in elk geval een deel van de bronnen die we bestuderen, wat we delen is het leraarschap (want daar komen die subdisciplines nog een beetje bij elkaar), en wat we zeker nog delen is de universitaire opleiding Nederlandse Taal en Cultuur. Althans op bachelorniveau. Is dat genoeg? Nee, zou je kunnen denken. En toch.

Internationaal bestaat de neerlandistiek wel degelijk, al is het dan niet op de grote internationale congressen en in grote disciplines als mediëvistiek, fonologie, psycholinguïstiek, literatuurwetenschap. Daar mengen onderzoekers die de Nederlandse taal en literatuur bestuderen zich met specialisten die zich in de eerste plaats richten op het Frans, het Engels, het Chinees of het Portugees. Hun methoden en theorieën zijn dezelfde, alleen het object van onderzoek verschilt. De neerlandistiek bestaat echter wél aan al die instituten waar je Nederlands kunt studeren en waar men Nederlands bestudeert. Er zijn heel wat opleidingen Nederlands buiten Nederland en Vlaanderen en ze kennen vaak een grote bloei. Wie in Nederland besluit dat de neerlandistiek een achterhaalde zaak is, kijkt voorbij aan wat er elders gebeurt en beneemt al die opleidingen in landen waar Nederlands geen nationale taal is een belangrijk middel om zich te profileren. Opvallend genoeg gebeurt dat vaak veel breder dan we in Nederland en Vlaanderen doen. De tamelijk strikte opvatting over de neerlandistiek als vakgebied dat zich bezighoudt met taalkunde van het Nederlands en Nederlandstalige literatuur, bestaat daar veel minder. Het gaat daar vaak juist over de Nederlands taal en cultuur in de breedst denkbare zin. Dat komt ook, zo is mijn indruk, omdat die opleidingen niet alleen bezocht worden door studenten die voltijds Nederlands willen studeren (als dat al mogelijk is) maar juist ook door iedereen die het Nederlands wil leren en meer wil weten over de geschiedenis en cultuur van de Nederlanden vanuit een ander oogpunt. Wie om wat voor reden dan ook geïnteresseerd is in de kunst, de cultuur en de taal en Nederlands wil leren of meer wil weten over de achtergronden van de Nederlanden komt daar terecht. De vaak moeizame oriëntatie op cultuur in de brede zin binnen de Nederlandse opleidingen Nederlands, en het vaak geringe grensverkeer tussen taalkunde en letterkunde, zien we buiten de grenzen van Nederland en België juist wel.

Vijf jaar geleden zag ik de neerlandistiek vooral als een pragmatisch in te zetten vehikel. Nu, in 2017, zie ik om me heen dat de neerlandistiek in Nederland misschien nog wel meer van zijn glans verloren heeft. Maar we kunnen de neerlandistiek een nieuwe inhoud geven. Gebruik maken van de ervaringen in al die buitenlanden waar niet-moedertaalsprekers Nederlands leren en zich verdiepen in taal en cultuur van de Nederlanden. We kunnen de huidige benaming van de academische opleiding – taal en cultuur – ten volle benutten, claimen dat iedereen die zich bezighoudt met de voortbrengselen van de Nederlandse taal en cultuur een neerlandicus is, de neerlandistiek breder en relevanter maken: aan onze instituten en universiteiten, in het onderwijs, in de manier waarop we ons in de publieke ruimte manifesteren, in de wereld. Het verhaal van die bloem en die knop kan immers moeiteloos een vervolg krijgen: een nieuwe lente….

Dit bericht is geplaatst in column met de tags . Bookmark de permalink.