Marjo van Koppen: Disciplines bundelt uw krachten!

Door Marjo van Koppen

In 1633 schreef P.C. Hooft aan zijn vriendin Tesselschade Roemers Visscher dat haar brieven fenomenaal zijn. Letterlijk zegt hij Wat hij meent met het topswaer van lauwer, en kan ik niet anders vatten, dan ’s prinssen triomfwaeghen. De hij in dit citaat is Huygens de vertaling is zoiets als: Wat Huygens bedoelt met de topzware lauwerkrans, kan ik niet anders vatten dan de triomfwagen van de prins. De brieven van Tessel zijn dus zo subliem dat zij een topzware lauwerkrans verdienen en zo prachtig zijn als de triomfwagen van de prins. Hooft gebruikt hier een stijlfiguur, litotes, om de noodzaak van zijn lof te onderstrepen. De ontkenning helpt hem het tegenovergestelde uit te drukken, en daarmee te benadrukken dat hij Tessel we MOET eren. Interessant is dat hij precies in deze context tweeledige negatie gebruikt: en…niet. In dezelfde brief gebruik Hooft ook enkelvoudige negatie, dus alleen niet.

Waarom nu begint een generatief taalkundige haar bijdrage aan de toekomst van de neerlandistiek met een citaat uit een letterkundige brief van P.C. Hooft uit de zeventiende eeuw en de uitleg van de manier waarop een stijlfiguur wordt ingezet om een boodschap over te brengen?


Dit stukje tekst is een goede illustratie van de manier waarom wij in de toekomst Neerlandistisch onderzoek kunnen vormgeven. Door de disciplines van de Neerlandistiek te bundelen en elkaar te laten versterken, ontstaan nieuwe vragen en meer volledige antwoorden op oude vragen.

Laat me dat uitleggen. Binnen ons project language dynamics in the Dutch Golden Age doen wij onderzoek naar de aloude vraag hoe morfosyntactische variatie (in ons geval binnen een en dezelfde auteur) kan worden verklaard. Een concreet voorbeeld van een dergelijke vraag is hoe we de variatie in het negatiegebruik van Hooft (soms enkelvoudige soms tweeledige) kunnen verklaren. Nieuw aan ons project is dat we de vraag benaderen vanuit drie perspectieven: letterkunde, generatieve taalkunde en computationele taalkunde. De letterkundigen onderzoeken de sociaal-culturele en literaire context van de variatie, de generatief taalkundigen brengen de grammaticale aspecten van de variatie in kaart en de computationeel taalkundige zorgt ervoor dat de data digitaal ontsloten worden en hij identificeert de kwantitatieve correlaties tussen grammaticale, sociaal-culturele en literaire factoren.

Laat me dit illustreren aan de hand van het citaat waarmee we begonnen: letterkundig gezien is het interessant dat juist in de belangrijkste boodschap van de brief tweeledige negatie wordt gebruikt. Het lijkt dat dit talige middel hier wordt ingezet om nadruk te leggen op de kernboodschap. Als dat zo is dan verwachten we tweeledige negatie mogelijk eerder aan het begin of eind van een brief omdat daar de kernboodschap vaak wordt gegeven. Taalkundig gezien kunnen we constateren dat tweeledige negatie verandert van de ongemarkeerde manier om negatie uit te drukken naar een gemarkeerde manier waarbij de tweeledige negatie nadruk ofwel focus lijkt te krijgen. Als dat zo is, dan verwachten we tweeledige negatie mogelijk ook bij constructies met een meer uitgebreide linkerperiferie (zoals in het voorbeeld hierboven). Merk op dat deze twee perspectieven op het voorkomen van tweeledige negatie elkaar niet tegenspreken maar juist versterken en preciseren. Als we deze hypotheses systematisch willen kunnen onderzoeken, helpt het enorm om een digitaal verrijkt corpus te hebben waarin bovengenoemde factoren worden onderscheiden (e.g. enkelvoudige of tweeledige negatie, plaats van de negatie in de brief, zinsvolgorde). Hier komt het computationeel taalkundige perspectief om de hoek kijken. Binnen ons project zijn op dit moment bezig om dit grammaticaal, sociolinguïstisch en literair verrijkte corpus van de brieven van Hooft te maken in samenwerking met Nederlab. Voor een dergelijk corpus is wederom een goede interdisciplinaire samenwerking nodig om te zorgen dat het corpus technisch goed functioneert en dat de juiste taalkundige en letterkundige factoren worden onderscheiden.

Kortom, ik zie een toekomst voor de Neerlandistiek in interdisciplinair onderzoek waarin we vanuit de kracht van onze eigen discipline samenwerken met de andere disciplines. Als Neerlandici zijn we vaak in hetzelfde materiaal en tot op zekere hoogte in dezelfde vragen geïnteresseerd maar we kijken ernaar vanuit verschillende perspectieven. De Neerlandistiek wordt sterker en (de antwoorden op) onze vragen interessanter als we onze krachten bundelen en samen onderzoek doen naar de vragen die wij ons stellen over de Nederlandse taal, literatuur en cultuur.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.