Anthonius Hambroek en het verwaarloosd Formosa

Door Ton Harmsen

In zijn toneelstuk Trazil laat Antonides van der Goes de Chinese aartspriester kritiek uiten op het optreden van de Spaanse missionarissen in Perù. Daarmee laat hij zien dat de Europese expansie een mondiaal probleem was. De gruwelen in Zuid-Amerika waren alom bekend – vooral door de in 1542 geschreven bestseller van de dominicaan Bartolomé de las Casas, Brevísima relación de la destrucción de las Indias (Seer cort verhael vande destructie van d’Indien) – en in Nederland was die kennis koren op de molen van de anti-Spaanse propaganda. Vondel schreef in de Zegesang ter eere van Frederick Hendrick de Peruviaanse koning postuum leedvermaak toe toen hij ‘vernam’ dat de Spanjaarden ’s-Hertogenbosch hadden verloren (1629):

.                                                De schim van Attabaliba
.                            Vernamt, en huppelde om uw’ scha.
(Zegesang vs. 541-542; vergelijk Antonides’ uitvoerige bewerking in de Ystroom boek 2 vs. 242-308)

De Spaanse missie is een aantrekkelijker doelwit dan de Nederlandse zending, maar als hij het gewild had zou Antonides veel dichter bij Peking ook een voorbeeld hebben kunnen vinden: de Nederlandse dominees in Taiwan. In dienst van de Verenigde Oostindische Compagie deden zij in hun eigen ogen, en in de ogen van hun geldbeluste opdrachtgevers goed werk door de lokale bevolking te christianiseren. Jarenlang bestudeerden ze de lokale talen om het Onze Vader en de tien geboden daarin te kunnen vertalen en te onderwijzen. Maar tegen de eindeloze uitpersing en de represaille-expedities deden zij niets. Opstanden werden bloedig neergeslagen, was het niet door de Nederlanders dan wel door de Spanjaarden en de Chinezen. De cultuur van de oorspronkelijke bewoners van Taiwan, dat toen Formosa heette, is in die periode goeddeels van de aardbodem weggevaagd. Een historisch antropoloog heeft in Taiwan lang zoeken.

Op Formosa had de VOC in Fort Zeelandia een belangrijke handelspost gevestigd. Behalve voor de handel binnen Azië (Formosa lag op de route naar Japan) was het eiland begeerlijk als springplank naar China. De ambassades naar Peking in de tweede helft van de zeventiende eeuw leverden niet veel op, maar de Compagnie koesterde aanvankelijk hoop met de Chinezen in Taiwan goede zaken te kunnen doen. Voor een belangrijk deel waren dat Ming-loyalisten, die steeds verder naar het zuiden werden verdreven toen de Mantsjoes in 1644 in Peking de macht hadden overgenomen. De bekendste onder hen is de legendarische Zheng Chenggong, een held voor de Chinezen, maar voor de Nederlanders de gevreesde piraat, die zij Koxinga noemden. Hij veroverde in 1662 Taiwan op de VOC, wat leidde tot een pijnlijke nasleep toen de hoogste militair Frederik Coyett na zijn oneervol ontslag het gezag in Batavia aanklaagde in zijn boek ’t Verwaerloosde Formosa.

Bij de verovering van Taiwan betoonden de Chinezen zich even wreed als de Nederlanders voor hen, en zij spaarden de Nederlandse dominees niet. In de Europese literatuur werden die dan ook uitsluitend gezien als martelaars. Tot voor kort; de Leidse dissertatie The colonial ‘civilizing process’ in Dutch Formosa, 1624-1662 van Chiu Hsin-hui (2008) werpt ander licht op het traditionele beeld van de kolonisators.

De eerste dichter die over de ondergang van de VOC in Taiwan schrijft is de Rotterdammer Gerard van Spaan, in het quasi toneelstuk in zes bedrijven Opkomst der Oostindische Compagnie (1711). Spaan voert personages op, die in feite geen rol spelen maar met elkaar een historisch verhaal presenteren. Het begin van het vijfde bedrijf is gewijd aan het verlies van de Nederlandse kolonie in Taiwan. Hier geven de Konstapel (kanonnier), de Bottelier en de Bootsman hun Nederlandse mening over de aanval van Zheng Chenggong op Taiwan:

.        ’t schoon eiland Formoze,
.        Dat aardsche Paradijs, met lelyen en rozen

Taiwan heeft een primitieve bevolking:

.        Zy leefden van de Jagt. Wat aangaat ’t land te bouwen,
.        En ’t Vissen, dat was ’t werk voor Meiden en voor Vrouwen

Het is een goed terrein voor de zending: de dominees

.        Bekeerden veel van ’t Volk tot ’t Kristelijk geloof;
.        Zy dienden voor die tijd d’Afgoden stom en doof,

Van Spaan ziet Zheng Chenggong als vluchteling voor de nieuwe keizer:

.        Den Keizer van China die ging zig zelf verhangen.
.        Hier op vlugt Koxinja na Zee, en toog aan ’t prangen
.        Langs de Chineese kust, alwaar hy alles nam,

Uiteindelijk verovert hij Taiwan:

.        Ten laatsten quamen zy omtrent ons Fort te landen.
.        Zoo digt, en dik als mut, en tasten alles aan.
.        De Vesting Sykam zelfs die streek voor haar de vaan
.        Na dapp’re tegenstand. Trakteerden de gevangen
.        Onmenschelijk en wreed; onthalzen, worgen, hangen,
.        Dat was haar daag’lijks werk. En meenig Predikant,
.        Schoolmeesters, Ziekevaars die hielpen s’ ook van kant;

Van Spaan vermeldt niet de dramatische episode met dominee Hambroek, zoals die is verteld in ’t Verwaerloosde Formosa. Deze gijzelaar van Koxinga betaalde met zijn leven en dat van zijn familie voor de taaie tegenstand die de Nederlanders boden. Valentijn vermeldt dit in zijn encyclopedisch Oud en nieuw Oost-Indiën, niet bij zijn beschrijving van de val van Formosa, maar in de appendix over de missie. Ook het reisverslag van Wouter Schouten (1674) vermeldt de zelfopoffering van Hambroek terloops. Toen dit boek, de Reistogt naar en door Oostïndiën in 1775 voor de vierde keer gedrukt werd, voegde de editeur bij de vermelding van Hambroek een lange voetnoot toe, waarin hij Valentijns uitvoerige exposé over Hambroek citeert.

Dit was voor Joannes Nomsz in hetzelfde jaar de aanleiding tot het schrijven van de tragedie Anthonius Hambroek. Hij neemt zelfs Valentijns vergelijking met de Romeinse consul Marcus Atilius Regulus over. Zijn doel is de kracht van het christelijk geloof en de opofferingsgezindheid van de Nederlanders aan te tonen. Nomsz verheerlijkte graag de grote daden in het verleden door – naast tal van epische en lyrische gedichten – ruim 40 toneelstukken te schrijven, blijspelen en treurspelen, over onderwerpen uit de vaderlandse en de algemene geschiedenis. Anthonius Hambroek (1775) werd een larmoyante tragedie waarin de dochter van Hambroek voortdurend weent en flauw valt. Nomsz is een bewonderaar van Racine en Voltaire (hij vertaalde onder andere diens Orphelin de la Chine), maar hij mist Voltaires superieure overzicht. Bij hem zien we noch de naieve bewondering voor het confucianisme van Antonides van der Goes, noch de hoop op katholieke missie van Vondel; hij toont de protestante God van de Nederlandse kerk die de waarheid vertegenwoordigt. De nasleep van de verovering van Taiwan door Zheng Chenggong, het conflict van Coyett (door Nomsz Cajet genoemd) met zijn superieuren, valt in de tragedie van Nomsz buiten het bestek van de tijd en de handeling. Toch blijkt hij zich ervan bewust te zijn dat Coyett na de overgave van Formosa een conflict met de VOC had: in het spel verwacht Coyett ontzet vanuit Batavia. Nomsz’ analyse van de politieke situatie in China is beter dan die van Valentijn en Schouten: zij noemen de veroveraars van Taiwan “Chinezen” zonder meer, terwijl Nomsz helder onderscheid maakt tussen de Chinese Ming-loyalist Koxinga en de Chinese keizer, die in die jaren als vreemde, Tartaarse overheerser nog altijd bezig was zijn gezag te vestigen:

.        Die naauw’ verheven vorst voert in zyn nieuwe staten,
.        Noch dagelyks den kryg met woelzieke onderzaten;
.        Want, schoon de ryksstad hem, aan ’t hoofd zyns heirs ontfing,
.        En hem erkent voor vorst, hy is een vreemdeling.
.        (Anthonius Hambroek, vs. 477-480)

Al is Voltaire de favoriete Franse auteur van Nomsz, toch vindt hij zelf dat hij hem overtreft, door niet de gemakkelijke manier over te nemen waarop de Fransman over zelfmoord spreekt. Volgens Nomsz is dat typisch Frans, zoals  Corneille Chimène de volgende woorden laat spreken, als de moordenaar van haar vader de kans wordt geboden op een eervolle dood op het slagveld:

.        Mourir pour le pays n’est pas un triste sort,
.        C’est s’immortaliser par une belle mort.
.                            Le Cid, vs. 1367-1368

In de vertaling van Van Heemskerck (1641):
.        Te sterven voor den staet is geen ellendigh sterven.
.        ’t Is door een brave dood een eeuwigh lof be-erven.
.                            De verduytste Cid, vs. 1407-1408

Zij gunt Rodrigue geen dood voor het vaderland, zij wil zijn dood als straf en wraak. Ook Voltaire spreekt te gemakkelijk over de zelfgekozen dood. Hij legt de hoofdpersoon Idame in Het weeskind van China (1782, vertaling Nomsz) de volgende woorden in de mond:

.        Is dan de mensch gevormd om zo verslaafd te wezen?
.        Men volg’ den Japonnees, standvastig, zonder vreezen:
.        Zyn moed bewaart het recht hem door natuur verëerd;
.        Hy leeft en sterft steeds vry, naar dat hy zulks begeert.
.        ’t Hangt alles van hem af: te kregel om te bukken
.        Voor ’t lot, ontrukt zyn staal hem aan zyne ongelukken.
.        De dood is min voor hem dan een beleediging;
.        Hy vreest de schande meer dan zyn geslepen kling.
.                            Het weeskind van China, p. 77.

In Anthonius Hambroek komt ditzelfde voorstel ter sprake, wanneer Konxinga’s gezant Xamti – een naam die Nomsz ontleent aan L’orphelin de la Chine – Hambroek voorstelt om de smadelijke dood op het schavot te vermijden door zelfmoord te plegen. Nomsz laat dominee Hambroek hier furieus tegen protesteren:

.                             XAMTI.
.        ’t Is roemryk dat men stout een gruwzaam lot ontvlied.
.                        HAMBROEK.
.        De Christen zoekt geen’ roem in ’t geen zyn pligt verbied.
.                            XAMTI.
.        Ik zoude in uwe plaats gewis zo kies niet wezen,
.        Maar ’t voorbeeld volgen van de fiere Japonezen;
.        Die, tot de dood gedoemd, ten spyt van ’s rechters wraak,
.        Voor ’t oog van al het volk, zich dooden met vermaak.
.                            (Anthonius Hambroek, vs. 1318-1332)

Nomsz laat vervolgens zien hoe Xamti bijzonder onder de indruk komt van Hambroeks christelijke standvastigheid. Op die manier stelt Nomsz de christelijke moraal boven de heidense opvattingen die hij de Chinezen en de Japanners toeschrijft. In zijn ogen is er geen twijfel aan de superioriteit van het Europese standpunt.

Anthonius Hambroek is te lezen bij Ceneton, met vertaling in het Engels. Daar staat ook de tekst van Wouter Schouten. Bij youtube vindt men de opvoering van een bewerking van Anthonius Hambroek door Aziatische studenten in Leiden. De Opkomst der Oostindische Compagnie van Gerard van Spaan staat bij Ceneton.

Dit bericht is geplaatst in edities, websites met de tags , , , . Bookmark de permalink.