Ik was een pottebakkerszoon

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (124)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Ah, Couperus! Een dichter die leefde in een taalcultuur die volkomen tegengesteld zou worden aan de zijne. Waar Couperus leefde bij variatie – bij het idee dat een dichter een andere taal gebruikte dan de journalist of de marktkoopman –, ontstond een taalcultuur waarin het de schrijver juist tot eer strekte om ‘gewone taal’ te schrijven.

Dat begon ongeveer bij Multatuli, en het duurt nog steeds voort. Slechts zelden hoor je iemand prijzen om zijn eigenzinnige, verheven syntaxis. Nederlanders zijn kampioenen van de gewone taal. Er bestaat voor geen enkele andere taal zo’n gedetailleerd overzicht over hoe ‘de gewone man of vrouw’ spreekt als Syntax of Dutch.

Maar dat betekent ook dat iedere Nederlander die om wat voor reden dan ook maar een millimeter afwijkt van die algemeen-geldende norm van ‘gewoon Nederlands’ het wel kan schudden; dat over een schrijver als Couperus beweerd kan worden dat hij ‘verrassend leesbaar’ is – ‘mits je je aan zijn taal gewonnen geeft’. Alsof taalvariatie een opgave is, in plaats van een genoegen.

Ah, Couperus, die een roman in sonnetten wilde schrijven, Endymion. Het is er helaas niet van gekomen, maar in de DBNL zijn inmiddels de tijdschriften opgenomen waarin hij voorpublicaties plaatste:

X

Ik heet Endymion: ik heb die pracht,
Klein jongsken, meêgeleefd als waar’ ze mijn.
‘k Speelde over dag in pracht en iedre nacht
Was mij een droom topazen en robijn.

Vloeiende lucht heb ‘k daags de zee gedacht,
En ’s nachts dacht ‘k haar een reuzeschaal vol wijn:
Als pracht heeft mij de wellust toegelacht:
Later in pracht kende ik misdaad en pijn.

Omdat de pracht steeds om mij was, hoe arm
Ikzelve waar’, was ik van pracht steeds warm,
Gloeiden mijn zinnen voor ’t prachtig genot.

Ik was een pottebakkerszoon, maar ’t lot
Hadd’ prins mij doen geboren zijn en nooit
Den schijn mijns levens prachtiger getooid….

Zo’n sonnet staat vol met syntaxis die ook in Couperus tijd al niet op de markt werd gebruikt: mijn zijn, een droom topazen en robijn, de zee vloeiende lucht denken, het lot hadd’ prins mij doen geboren zijn… alle taaladviesboeken en alle websites zullen het de lezer afraden omdat het de lezer misschien in verwarring zal brengen.

Terwijl die verwarring nergens voor nodig is. Ik zou durven beweren: ieder van die constructies is volkomen doorzichtig voor iedere normale spreker van het Nederlands, als hij maar niet zo in zijn vooroordeel gestijfd zou zijn door alle taaladviesboeken en websites en het onderwijs dat alle Nederlands altijd precies hetzelfde moet zijn. Dat de taal van de pottebakkerszoon én die van de prins afkeurenswaardig zijn. Dat je als lezer of luisteraar nooit iets vreemds moet hoeven tegenkomen, en dat de schijn zijns leven zeker niet prachtiger getooid moet worden dan met wat de ‘naslagwerken’ ons te bieden hebben.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Ik was een pottebakkerszoon

  1. Frans van der Linden schreef:

    De sonnettencyclus Endymion ( 54 sonnetten) verscheen in 2016 in ‘O, gouden, stralenshelle fantazie’ , bloemlezing uit de poëzie van Louis Couperus, bezorgd door Frans van der Linden en verschenen bij uitgeverij Prominent.

Reacties zijn gesloten.