Etymologie: verguizen

Door Michiel de Vaan

verguizen ww. ‘beschimpen’

Middelnederlands vergusen (1440–1460) ‘te schande maken’, Nnl. verguysen ‘bespotten; met hoon overladen’ (1572), guyse (zetten) ‘spottend gebaar naar iemand maken’ (1588).

Verwante vormen: Middelnederduits gusen ‘schrik aanjagen, tot zwijgen brengen’, Westfaals dial. vergüset ‘gestoord’, Ripuarisch verguuzen, verjuuzen ‘bang maken’.

Een ander Nl. werkwoord is guizen ‘gutsen, stromen; storten, gooien’ uit *gūs-, dat in veel dialecten nog voortbestaat (guizen, goezen, goesje, etc.). De betekenis lijkt op het eerste gezicht ver van ‘beschimpen’ verwijderd te zijn. Toch is het mogelijk dat verguizen in Oudnederlandse tijd (ergens tussen 500 en 1200) van guizen, goezen is afgeleid. Het Oudnoorse ww. gjósa ‘stromen, opborrelen’, waarvan o.a. Deens en Noors gyse ‘huiveren, rillen’ afstammen, komt uit een PGm. sterk werkwoord *geusan ‘stromen, gutsen’. Afleidingen daarvan met overdrachtelijke betekenis zijn Oudnoors geysa ‘aanzetten, ophitsen’ (uit PGm. *gausjan), en Oudnoors gys, gyss ‘spot, hevig lachen’ (uit *gus-ja-). Het is daarom niet te vergezocht om ook Nl. ver-guizen ‘te schande maken’ en Mnd. gusen ‘bang maken’ als afleidingen van hetzelfde basiswerkwoord te beschouwen. Vanuit een afgeleide betekenis zoals ‘doen huiveren’, die in Deens en Noors gyse optreedt, zijn ‘bang maken’ en ‘te schande maken’ goed te begrijpen. Werkwoorden van de 2e sterke klasse vervingen in een deel van het Westgermaans vaak de stamklinker *eu door *ū, bijvoorbeeld in Oudengels slūpan en Mnl. slūpen ‘sluipen, glippen’ met *ū, tegenover het behoud van de oude *eu in Gotisch sliupan en Oudhoogduits sliofan ‘sluipen’). Zodoende kan PGm. *geusan ‘stromen, gutsen’ in het Nederlands en aangrenzende dialecten eveneens door *gūsan vervangen zijn, dat als guizen, goezen in de Nl. dialecten verschijnt. Van *gūsan werd dan het zwakke ww. *(fra-)gūsjan ‘bang maken, verguizen’ afgeleid.

Pgm. *geusan ‘opwellen, gutsen’ is een afleiding met –s- bij het PIE ww. *ǵheu- ‘gieten’, waarvan ook het ww. *ǵheu-d- is afgeleid waaruit Germaans *geutan en Nl. gieten zijn ontstaan. Het ligt voor de hand om aan te nemen dat *geusan gebouwd is op een PIE s-aoristus *ǵheu-s-, zoals meerdere onderzoekers al hebben aangenomen.

Literatuur:
Harald Bjorvand & Fredrik Otto Lindeman. 2000. Våre Arveord. Etymologisk Ordbok, p. 329.
Frederik Kortlandt. 2011. Where have all the aorists gone? Amsterdamer Beiträge zur älteren Germanistik 67, 143–148. [i.h.b. p. 147]
Elmar Seebold. 1970. Vergl. u. etym. Wörterbuch der germ. starken Verben, p. 227–228.

Dit bericht is geplaatst in taalkunde met de tags , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter