Slowquiz: Wat weten we nog van die neerlandici?

Gegroet, beste vrienden van de verscheiden neerlandici! Bijna een jaar lang hebben we met elkaar gequizt op het scherp van de snede. We hebben gelachen, en af en toe een traantje gelaten. We zijn door diepe dalen van teleurstelling gegaan als telkens weer net op het moment dat wij ons antwoord wilden intikken, iemand (meestal Marc Beerens) ons met de juiste oplossing voor was, maar wij hebben ons ook intens verheugd in de herinnering aan die kleurrijke stoet van onze grote voorgangers.

Desalniettemin lijkt de sleet er een beetje op. De laatste weken leek Marc Beerens zowat de enige deelnemer. De voorlaatste week werden er verschillende alternatieve oplossingen aangedragen die allemaal goed waren maar niet degene die bedoeld werd, en het dieptepunt beleefden we de vorige week, toen niemand op het idee kwam dat Arie de Jager de gezochte neerlandicus was (toch een naam die het waard is om in onze herinnering voort te leven).

Wellicht is het daarom tijd om het roer om te gooien, en meer mensen de gelegenheid te geven om mee te doen. De globale winnaar van het afgelopen jaar, Marc Beerens, heeft ons zelf het idee aan de hand gedaan: er zijn natuurlijk verschillende neerlandici aan wie mensen nog persoonlijke herinneringen hebben, of van wie mensen nog anekdotes uit de eerste of tweede hand kennen. Waar kun je dergelijke verhalen beter delen dan binnen de vertrouwde gemeenschap van neerlandici die wij hier bij Neerlandistiek opgebouwd hebben? Daarom starten wij vanaf deze tweede Paasdag onze

Slowquiz

In onze nieuwe slowquiz gaat het niet om het snelste of het beste antwoord, maar om de bevrediging die een weldoordacht of snedig verhaal ons allen oplevert. U krijgt het hele lijstje van neerlandici die we de komende week gedenken. Als u een verhaal hebt over een van hen, voegt u het bij de reacties toe. Het mag ook een persoonlijke herinnering zijn aan de confrontatie met zijn of haar werk, als het maar aardig is om te lezen.

Op deze manier richten we het komende jaar een op gedenksteen in verhalen op voor al onze verscheiden neerlandici.

En u kunt natuurlijk ook nog altijd omissies in onze lijst signaleren.

Dit zijn de neerlandici die wij de komende week gedenken:

Wat weet u nog van hen?

Dit bericht is geplaatst in quiz met de tags , . Bookmark de permalink.

17 reacties op Slowquiz: Wat weten we nog van die neerlandici?

  1. Peter-Arno Coppen schreef:

    Laat ik dan zelf maar beginnen met Gerard Brom: ik heb twintig jaar in een huis aan de Sint Annastraat in Nijmegen gewoond dat maar twee huizen naast het grote witte hoekhuis lag waar Gerard Brom gewoond heeft (hij woonde op 185). Mijn promotor, Jan van Bakel, had nog persoonlijke herinneringen aan hem, omdat hij ooit een doctoraalscriptie van hem over poëzie had afgekeurd. Die aantekeningen heeft Jan later nog op zijn blog gepubliceerd.

    • Marc Beerens schreef:

      ‘De Nijmeegse Ferguut. Herinnering/Essay/Portret’ van Jan Elemans (Huissen, Eleboek 2014) bevat een hoofdstukje ‘Niet foeteren op Brom’, waarin Elemans herinneringen ophaalt aan Brom, die hij als student heeft meegemaakt in de tweede helft van de jaren ’40. Een paar aardige citaten:

      Gerard Brom wandelt. Als scholier heeft hij nog een fietscursus gevolgd. Voor dat diploma zal hij dan wel gezakt zijn. Hij doet alles af ‘per pedes apostolorum’. Als Jezus wandelt hij door Nijmegen, met ook die baard maar dan zonder apostelen. Brom loopt altijd alleen, tussen zijn huis bij de Sint Annabrug en zijn parochiekerk, station en Instituut. Soms is hij in gezelschap van een student. Altijd een eerstejaars die niet heeft opgelet. Die ziet hem te laat aankomen, en moet dan even met hem oplopen. Dan vraagt hij hoeveel broertjes en zusjes je hebt, hoeveel tentamens al. Heb je bij hem nog geen tentamen gedaan, dan word je uitgenodigd dat zo spoedig mogelijk te doen. Als je zegt dat nog niet te durven, moet je maar veilig aan de kant blijven zitten: daar is nog nooit iemand verdronken.
      (…)
      Brom lei ook uit waarom hij liep. Lopen was de meest natuurlijke, meest menselijke vorm van zich verplaatsen. Fietsen was een jachtig gedoe, in de stad vereiste het behendigheden en bedachtzaamheden die beter voor een hoger doel konden worden aangewend. Lopen vond Brom de meest natuurlijke expressie van de mens in beweging.
      (…)
      Als Brom de afdeling letterkunde bemant, wil dat niet zeggen dat hij ook de moderne letterkunde is toegedaan. Met Maria Viola en Marie Koenen eindigt voor Brom de moderne Nederlandse letterkunde.
      (…)
      Brom had als leraar geen orde. Als grootste ordeverstoorder wees hij naar zichzelf. Te welbespraakt, veelzijdig en springerig om door te hebben waar een klas om vraagt. Die maakt dan troep. Wij deden dat niet. Het was een genoegen om naar de man te luisteren. En de mensen die bij hem doctoraal deden met als hoofdscriptie literatuur, bedolf hij op college met ‘minnebriefjes’: bewijsmateriaal uit eigen overvloed.

      En de mooiste:

      Het jaar ben ik vergeten, de zomer, dat ik thuis moest helpen op de boerderij, van inzaai tot hooibouw. Brom merkt dat ik week-in week-uit absent ben. Hij vraagt dan ook wat er met me aan de hand is. Jan Dubbelaa van Haaren is nooit te beroerd om een handje te helpen. Ziek, zegt Jan, en ze weten niet eens wat het is. Die toevoeging had hij beter achterwege kunnen laten. De eerste de beste gelegenheid reist Brom af naar Ravenstein. Met een tas vol jaffa’s. Al van heel ver zien ze de professor met baard en tas en al het toepad aflopen. Ik lig dan ook weer in bed als Brom arriveert. Hij kijkt goed rond. Komt niet iedere dag op een boerderij. Hij vraagt iedereen het hemd van het lijf. Dat hij me met zijn bezoek misschien in verlegenheid brengt, dringt niet tot hem door. Met een lege tas keert Brom terug.

      En als ik heel stiekem nog wat reclame mag brommen: https://www.vantilt.nl/boeken/heraut-van-de-katholieke-herleving-gerard-brom-1882-1959/

  2. Ik heb nog college gehad van Bert van Selm, een vak dat ‘basisapparaat’ heette – een man die met een Zuid-Hollandse tongval een verbluffend enthousiasme aan de dag legde voor de Bibliografie voor de Nederlandse Taal- en Letterkunde (BNTL). Nu pas besef ik hoe jong hij was, of in ieder geval dat ik nu al ouder ben dan hij ooit werd. Door andere docenten werd een beetje meewarig gedaan over het vak, en het had inhoudelijk ook iets saais, maar dat iemand zo geestdriftig kon zijn over een bibliografie zal ik nooit meer vergeten.

    • Cefas van Rossem schreef:

      Zijn artikel over de bibliotheek van Pieter Saenredam (Kunstschrift 1, 1988: 14-19) is kort, maar gaf me flink wat inspiratie. Het werd gebruikt, of in ieder geval genoemd, tijdens de colleges Boekwetenschap van professor Buijnsters om te laten zien dat iemands bibliotheek inzicht kan geven in het leven van de eigenaar. Bij de Vereniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels heb ik uiteindelijk verschillende veilingcatalogi van het boekenbezit van vroege negentiende-eeuwers bestudeerd om meer te weten te komen over met name de bronnen die Annaeus Ypeij ter beschikking had voor zijn Beknopte Geschiedenis der Nederlandsche Tale (1812, 1832).

      • Cefas van Rossem schreef:

        Annaeus Ypeij! Zijn we die niet vergeten? Op 5 april was de 180ste sterfdag van deze schrijver van de eerste Geschiedenis van het Nederlands.

        • Peter-Arno Coppen schreef:

          Daar zeg je zowat! Die stond er inderdaad niet bij! Maar nu wel. Ik ga mijn verjaardag vanaf nu heel anders vieren.

  3. Marc Beerens schreef:

    Ik wil een kleine duit in het zakje doen over Van Ginneken, die wat mij betreft hoog scoort in de top 10 van meest fascinerende gestalten uit de geschiedenis van de neerlandistiek – wie schrijft toch zijn biografie.
    L.J. Rogier herinnerde zich: ‘In een faculteitsvergadering deelde hij eens mee niet te kunnen meewerken tot het opmaken van een aanbeveling voor de Nobelprijs, omdat hij zelf daarvoor natuurlijk in aanmerking kwam.’
    Zijn studenten liepen naar verluidt met hem weg. Carel Swinkels roept in zijn ‘De reünist. Nijmegen als studentenstad’ (1982) een college van Van Ginneken op:

    ‘“Van Eeden is alleen maar katholiek geworden omdat hij bang was voor de hel!” Zulke goedgescandeerde kreten slaakte Van Ginneken op zijn befaamde zaterdagse colleges in het oude hoofdgebouw. Deze werden gretig bezocht door de toenmalige Nimweegsche elite bestaande uit een vreemdsoortig allegaartje van Limburgse dorpsadel, rijkgeworden zeepzieders en roomse halfwaslitteratoren.
    Op het bord stond op zekere zaterdag:

    Samedi Jacques fois
    Jacques épate les bourgeois.

    Dit was heel goed gezien. Van Ginneken schroomde geen enkel middel daartoe, vaak zonder zelf te beseffen dat zijn mededelingen nogal schokkend waren. Bij de behandeling van Van Deyssel, toen nog een sterke man in de Van Eedenlaan te Haarlem, zei hij tot besluit: “Zoals deze zoon van Thijm geleefd heeft, is hij ook gestorven.”’

    Van Deyssel overleed in 1952 en overleefde Van Ginneken daarmee 7 jaar.

    • Mijn favoriete Van Ginneken-anekdote is dat zijn latere opvolger, Toon Weijnen, zijn hele proefschrift moest overtikken omdat het volgens Van Ginneken in de verkeerde spelling was gesteld. En dat Van Ginneken dat aan zijn geplaagde leerling opdroeg ‘vanaf de plaats waar God mij gesteld heeft’. Van Sterkenburg lijkt in algemene termen aan deze anekdote te refereren in zijn verder wel wat erg negatief gestelde biografie waarnaar hierboven gelinkt is.

      • Marc Beerens schreef:

        De situatie was voor Weijnen penibel: er waren al bijna 100 bladzijden in lood gezet, en die konden nu opnieuw, met alle kosten en tijdverlies van dien. Weijnen wendde zich per brief tot zijn promotor, en liet zich ontvallen dat hij ervan overtuigd was ‘dat de Nieuwe Spelling de spelling van de toekomst was’.
        [Weijnen:]’Ik kreeg prompt antwoord, dat nu ik de zaak zo stelde, hij zijn wens in een eis veranderde. Die brief kwam daags voor Pinksteren aan en hoewel ik natuurlijk geen nieuwe argumenten had, ging ik toch naar een telefooncel, die mij in die dagen al bijna even vreemd was als nu nog een computer. Het hielp niets. Ik kreeg te horen: “Vanaf de plaats waar God mij gesteld heeft… enz.” Met het schrikbeeld dat de datum van mijn huwelijk anders misschien verschoven zou worden (en dat betekende in die heel wat anders dan nu) gaf ik toe. Maar ik voegde er wel aan toe: “Maar dan is het ook wel de laatste keer van mijn leven dat ik in die spelling schrijf”. “Dat moet je dan zelf maar weten”, was het ineens merkwaardig laconieke antwoord.’

        Tussen promovendus en promotor leefden ook inhoudelijke verschillen van inzicht. ‘Er werd uiteindelijk een compromis gesloten (…), maar dat weerhield Van Ginneken er niet van tijdens het lezen van het proefschrift en gedurende de promotieplechtigheid zijn ongenoegen kenbaar te maken.
        [Weijnen:] ‘En toen hij op mijn promotie het woord kreeg, begon hij aldus: “Op uw stellingen (het waren er 31), die vele en goed zijn, zal ik u niet aanvallen, maar ik doe een heftige aanval op uw boek”, en hij vervolgde met te memoreren dat hij de laatste week collega’s was tegengekomen die hem zoiets gezegd hadden als “Je zult wel blij zijn met dit boek”, maar dan had hij geantwoord: “Niets is minder waar”.’
        (Zie Jos Joosten, ‘Lijnen en breuken. Een kleine historische beschouwing over het Nijmeegse Instituut Nederlands’. Nijmegen 1998, p. 71-72)

    • Jan Nioordegraaf schreef:

      Een concreet voorbeeld van een zaterdagochtendcollege van Jac. van Ginneken in 1935. De colleges in de cursus 1935-1936 waren gewijd aan de “Letterkunde in Nederland tijdens de XIXe en XXe eeuw”. Het onderstaande is genoteerd door Anthonie Mertens, ‘stud. juris’ uit Grathem, Limburg en betreft het college van zaterdag 12 oktober 1935. Het onderwerp was “Jos. Alb. Thym”.

      “Thym’s eerenaam zal niet sterven. Misschien zal hij in de toekomst als de grootste letterkundige vd 19e eeuw (in N.?) uit de hoek komen. Rythme der waardering! door
      Kareltje A.T. (via de Nieuwe Gids) in ’t verdomhoekje gekomen, door een studie van Kloos weer gerehabiliteerd. Van lieverlede ging de faam van de Oude Thijm achter méér crescendo, dan die van Lod. van Deyssel décrescendo.
      (fonds compl. w. Sterck 2 x mislukt: leer het Zuiden toch boeken lezen, katholieke! Onze grootouders waren paupers, die wel iets anders te doen hadden dan boeken te lezen; vandaar dat in onze katholieke families nog geen litt. tradities bestaan; wel vindt men er mooie franse kerkboeken: formulieren de prière!). Als we iets noodig hebben dan zijn het de complete werken van Jos. Alb. Thijm, die een uitzonderlijke groote was, de grootste kath. na de 17e eeuw.
      Jos. Alb. Thym was dáárdoor zoo’n groote katholiek, omdat alle andere toen nog plompe katholieken waren. Wij hadden toen alleen nog maar seminarie-cultuur. Er waren bv. wel cultuur-mannen onder, Broere bv. (uit West-Vlaanderen, de meest Holl. Z.Ned.!

      Broere: fel, knap, schilder, kerkmusicus, literator, groot redenaar, en vooràl: frisch van idee!
      Bovendien was hij filosoof, en had een sterke historische zin. Tengevolge van de seminariecultuur was het echter: een boeman tegenover de wereld te stellen. Geestel. niet in theater waar entrée betaald wordt!

      [café’s bezoeken: drinken met de tollenaars! Ik ben nooit in een cabaret geweest: hetgeen zeer veel afbreuk doet aan mijn naam als letterkundige]

      (Mensen als da Costa, Potgieter e.d. kenden van het katholicisme niets anders dan een scheldende pastoor en een scheldende seminarieprofessor, die tegen het Prot. van leer trokken.)

      Seminariecultuur lijkt op pastoorscultuur natuurlijk? Ja ja, cultuurmenschen, voor die geestelijken moet je oppassen en voor de pastoors vooral!

      En toen komt daar de edelste, fijnste chicqueste, knapste jongeman, lief, beurs-man (waar Potgieter hem kende) handelsman, èn beschaafd, èn geen pastoor, en die komt er voor uit dat hij katholiek is!! Hij is beleefd, en fijn gemanierd, en heeft iets van het vuur des Zuidens. Mein liber, was willst … Dat is de figuur van Thijm: de tegenhanger van seminarie- en pastoorscultuur. Waar haalde hij die vandaan? Hij kwam uit West-Vlaanderen, telg van een Hannoversch geslacht, familie van Mevr. v. Droste-Hulshoff; echter héélemaal geen Pruis: wel “het Zweite Gesicht”, en relaties aan het limburgsche (Cuypers) en van daar aan het Fransche (Violet-le-Duc- Cuypers) en bovendien liturgisch en theologisch onderlegd: heeft hij zijn geslacht geboeid en verrast, en heeft hij doen overwinnen: hij werd op de handen gedragen – hij heeft zijn entrée gemaakt door in de Holl. Schouwburg goede Romantische tooneelstukken op te laten voeren. Op de seminaries heerschte één vraag: “ben je classiek of romantiek”??! in het laatste geval, “wansmaak”(filosoof-leraar Kluitjer? horribele droogstoppel, “ars dicendi”, prachtige title, maar van letterkunde weet hij evenveel als mijn hak!).
      Het was inderdaad Godgeklaagd, maar God dacht er anders over. (latere afdw. van Kareltje!) O horror, met vrouw en kinderen naar een romantisch stuk!

      [Daar spreken we elkaar nog wel eens over bij het laatste oordeel!]

      Hieruit valt het te verklaren, dat Thijm door Potgieter dolblij binnengehaald werd, eindelijk een cultuurman, die in een net huis woont, en nog wel een Rooms-Catholijcke!! op de kermis van de cultuur gold Thijm als het kalf met zes pooten!”

  4. Peter Altena schreef:

    Wie in Amsterdam gestudeerd heeft en nimmer onder het gehoor van Enno Endt verkeerde, heeft in Amsterdam niet gestudeerd. Ik behoor tot de uitverkorenen en heb een half jaar – misschien was het een trimester, het heugt me als een semester – Gorter gelezen, de Verzen uit 1890 en de Herman Gorter Documentatie gelezen en vele malen de verzen en de documenten op elkaar betrokken, met elkaar laten zingen.
    Enno Endt was al een oudere heer, hij had aandacht voor Nescio gevraagd en was de reïncarnatie van Gorter op aarde. Hij was humeurig, ongeduldig en inspirerend. We lazen Barzun, Abrams (niet The mirror and the lamp), Praz (over wie straks meer) en Endt las voor en reciteerde en zoals hij het las, moest het gelezen worden, zoals hij het las, hoor ik het als ik het stil lees.
    In zijn sympathie en antipathie was hij onredelijk. Er was een studente die wat bozig oogde en sprak en het was afkeer op het eerste gezicht, alsof hij in haar alle vrouwen zag die hem het leven zuur gemaakt hadden. In de werkgroep zocht hij ook naar jongens-favorieten, jongens die niet (zoals zijn zonen) van brommers en Ajax hielden, maar van Gorter. Gedurende een paar maanden kon ik in college niets verkeerd doen, alles wat ik zei, sneed hout (terwijl ik wel beter wist).
    Endt heeft mij (en vele anderen die als ik tot de uitverkorenen behoorde) levenslang Gorter gegeven, maar ook Sam Goudsmit.
    Om duidelijk te maken hoe de woordkunst van Tachtig escaleerde in ongenietbaar kunstproza las hij het begin van een verhaal van Goudsmit voor, ‘Hoe kleine Sjimmie Neeter burger werd’. Het onbedoelde effect sorteerde de lectuur: het was prachtig, onmiddellijk ben ik het werk van Goudsmit gaan lezen. Het was helemaal niet ongenietbaar, het was ontroerend en ráák. Na lezing was ik overtuigd dat Endt het ook zo bedoelde. Hij strooide met parels en die hoefde je alleen maar te rapen.
    Het verhaal van de trui van Gorter, waar Endt in kroop, is al vele malen verteld. Onder andere door Cyrille Offermans. Maar ook door – en eigenlijk veel mooier – Ad van Iterson in de bundel Het geheim van de dichter. Endt verschijnt er als Harry Hack, zijn tegenspeler is de oude student Leiker.
    Het verhaal dat Van Iterson vertelt, ik was erbij. Van Iterson, die als student sociologie een bijvak Nederlands deed, óók. Ik dacht dat Van Iterson voortdurend achter de blondines aan zat, in De Pels naar Rumours van Fleetwood Mac luisterde en fantaseerde over de blonde van Abba, maar hij heeft zijn ogen de kost gegeven.
    Leiker was George S., een oud-houthandelaar uit Wormerveer die de studie Nederlands na zijn pensionering had opgevat en heel wat werkgroepen succesvol had afgerond, omdat hij hand op het hart beloofde nooit voor de klas te gaan staan.
    Endt, die weliswaar óók in Noord-Holland woonde, begreep de oude George niet. Toen George een referaat moest houden over The hero in eclipse in Victorian fiction vertaalde hij de titel als De held in de duisternis, een Victoriaans verhaal. En ook daarna kwam er slechts onzin. George verontschuldigde zich door op te biechten dat hij geen woordenboek Engels, had hij bij de houthandel nooit nodig gehad. George was in grote nood, maar die van Endt was nog groter.
    Het college erna was George afwezig, een week erna was er bericht van zijn vrouw, iets met prostaat.
    Een week erna trok ik – misschien wel met Ad van Iterson – naar Wormerveer, klein huisje, een klein geworden oud-houthandelaar vele illusies armer, de jonge gasten uit Amsterdam kregen een boterham met makreel. Ik geloof dat de dochter ons een lift gaf naar Amsterdam.
    Endt durfden we niet te vertellen wat er van de oude student geworden was.
    Later, na de afronding van de werkgroep, zag ik Endt vele malen in het Lambert ten Katehuis, waar het Instituut zetelde, ik groette hem dan, maar na verloop van tijd keek hij steeds verwaasder, hij wist niet meer wie ik was.
    Andersom ging het niet meer over. Als ik Enno Endt zag, dacht ik met dankbaarheid aan de volstrekte onderdompeling in Gorter. Van hem heb ik geleerd dat toewijding en dienstbaarheid voorwaardelijk zijn in de letterenstudie en misschien daarbuiten ook wel.

  5. Cefas van Rossem schreef:

    Jozef Vercoullie werd 160 jaar geleden geboren. Deze Gentse hoogleraar liet in de publicatie met de bijzondere titel ‘Negerhollands molee, Afrikaans boetie, katjipiering, bibies, bottel, ou sanna, ewwa-trewwa, foolstruis’ (TNTL 38, 1919, p. 302-306, maar geschreven in 1914) allerlei invloeden van het West-Vlaams op de aan het Nederlands gerelateerde contacttalen Afrikaans en Negerhollands (liever Virgin Islands Dutch Creole) zien. Hans den Besten verbeterde mij rap toen ik het over /Du twa/ en /verkoeje/ had: het ging immers over /Dutoit/ en /Verkoellie/. Het artikel begint met zijn benadering van het woord molee ‘onder’ dat in het VIDC vooral in de combinatie na molee voorkomt. Velen denken, ook nu, dat de vorm molee afkomstig is van een omkering van ‘omlaag, /omleeg/’. De benadering van Vercoullie spreekt mij juist aan. Zo zou ‘na molee’ afkomstig zijn van het Vlaamse ‘/noa benee/ naar beneden’ , waarbij de /b/ als een /m/ uitgesproken wordt.

Laat een reactie achter