Hoe oordelen leerlingen over ‘hun hebben’?

Door Astrid Wijnands

Op 1 maart jl. verscheen in de Volkskrant een interview met Hans Bennis, de nieuwe directeur van de Taalunie met als kop: ‘Directeur Taalunie: ‘Hun hebben’ is taalkundig gezien zelfs een verbetering.’ In het interview geeft Bennis aan dat taalkundig gezien ‘hun hebben’ weliswaar als een verbetering beschouwd zou kunnen worden, maar dat er ook nog veel mensen zijn die hiervan gruwelen.

‘Hun hebben’ wordt al lange tijd gezien als een van de grootste taalergernissen in Nederland, maar we signaleren ook dat hun als onderwerp steeds vaker voorkomt in gesproken taal. Veel leerlingen gebruiken tegenwoordig in hun spreektaal ‘hun hebben’ en zelfs docenten, veelal geen docenten Nederlands, hoor je in toenemende mate hun als onderwerp gebruiken. In de lessen Nederlands ligt de nadruk op hoe het hoort: hun als onderwerp is fout. De vraag waarom zoveel mensen hun dan in het licht van de taalnorm verkeerd gebruiken, wordt vaak niet beantwoord.

In de Taalcanon heeft Jan Stroop over hun als onderwerp een artikel gewijd: ‘Is ‘hun hebben’ zeggen echt zo dom?’ en bij dit artikel is ook een lesbrief gemaakt: ‘De HUN-debatten’. Deze lesbrief die te vinden is op www.taalcanon.nl/onderwijs, is geschikt voor leerlingen uit de bovenbouw van havo en vwo.

In de lesbrief bereiden leerlingen in twee lessen een debat voor over de stelling ‘Hun als onderwerp is correct Nederlands’. Als voorbereiding op het debat lezen zij in ieder geval het artikel van Jan Stroop uit de taalcanon. Ook het artikel van Olga Fischer ‘Is het erg dat taal verandert’ kan gebruikt worden. Daarnaast zoeken zij artikelen op die over het gebruik van hun als onderwerp gaan. Omdat de discussie over dit onderwerp al een aantal jaren gaande is, kunnenleerlingen de nodige artikelen vinden op internet. Zo is er op onzetaal.nl te lezen hoe hun als onderwerp ontstaan is en welke eigenschappen hun als onderwerp heeft. Op Kennislink staan eveneens artikelen over de ontstaansgeschiedenis en over goed en fout Nederlands. Ook de publicatie van Van Bergen, Stoop, Vogels & De Hoop  (2011) kunnen leerlingen op internet vinden. Dit artikel laat zien waarom hun als onderwerp zo succesvol is. Wellicht is dit artikel voor leerlingen uit het voortgezet onderwijs wat te hoog gegrepen, maar met een beetje hulp van de docent zouden leerlingen uit de hoogste klassen van het vwo deze bron kunnen gebruiken.

Bovenstaande literatuursuggesties leveren vooral argumenten op voor voorstanders van de stelling. Leerlingen die tegen de stelling zijn, zullen in bovenstaande artikelen ook wel argumenten kunnen vinden om de stelling te verwerpen, maar zij zullen ook op zoek moeten gaan naar artikelen die het naleven van de taalregels benadrukken.

In de derde les gaan de leerlingen tegen elkaar debatteren. Dit kan in de vorm van een Lagerhuisdebat waarin leerlingen tegenover elkaar zitten in twee groepen en de argumenten elkaar vaak snel opvolgen. Het kan ook in de vorm van een ‘schooldebat’ waarin twee partijen op een gestructureerde manier over de stelling debatteren. De eerste vorm is wat dit onderwerp betreft meer geschikt voor havisten en leerlingen uit vwo 4. Leerlingen uit vwo 5 en 6 zouden ook over dit onderwerp kunnen debatteren in een schooldebat. Het is uiteindelijk aan de jury om te bepalen wie het debat gewonnen heeft.

Door leerlingen over deze taalkwestie te laten debatteren, verdiepen zij zich niet alleen in de taalnorm, maar krijgen ze ook een beeld hoe mensen taal veranderen. Zij leren zich een mening te vormen over dit onderwerp door zich te verdiepen in (populair-)wetenschappelijke artikelen.

 

Andere mogelijke bronnen naast de taalcanon:

Over de auteur:
Astrid Wijnands werkt als taalkundedocent aan de lerarenopleiding Nederlands van de Hogeschool Utrecht en maakt deel uit van de taalcanoncommissie.

Dit bericht is geplaatst in Neerlandistiek voor de klas. Bookmark de permalink.

7 reacties op Hoe oordelen leerlingen over ‘hun hebben’?

  1. Slim om hier het debat als werkvorm voor te kiezen!
    Dit argument uit de literatuur vind ik niet zo sterk:
    Peter-Arno Coppen: ‘”Door de deur open te zetten voor de gewraakte taalvorm zullen meteen allerlei andere taalvormen de taal binnenglippen.” Dit is het ‘hellend vlak’-argument.In werkelijkheid gebeurt dit nooit.’

    Door een hellendvlakargument als hellendvlakargument te benoemen, weerleg je het nog niet.
    Je ziet bij het versoepelen van normen juist heel vaak een domino-effect. Op de abortuswetgeving volgde euthanasie bij zieken en volgt nu mogelijk hulp bij zelfdoding voor iedereen. Als ‘hun hebben mag, is ‘groter als’ de volgende vorm die goedgekeurd wordt.

    • Lucas Seuren schreef:

      Nu mogen homo’s trouwen, voor je het weet mogen mensen met kinderen en dieren trouwen.

      Eerst gedogen we softdrugs, straks koop je heroïne bij de supermarkt.

      Hellendvlakargumenten zijn drogredenen, als we die moeten weerleggen moet bovenstaande onzin ook weerlegd worden met een ander argument dan ‘dat gebeurt niet, want we kunnen normen los van elkaar beoordelen.’

      Taalnormen veranderen continu al duizenden jaren. ‘Hun hebben’ leidt niet tot meer of minder verandering, het is gewoon een van de veranderingen. Het heeft dus weinig met een hellend vlak te maken als het gaat om veranderingen zoals groter als die daar volstrekt los van staan.

      Dit alles natuurlijk los nog van het feit dat er geen goede reden is om sociaal-culturele normen gelijk te behandelen als taalnormen. Wetgeving komt tot stand in maatschappelijk debat en heeft een meerderheid van de wetgevende macht nodig, waarna die regels voor iedereen gelden. Taalnormen komen tot stand door gebruik in de maatschappij, veelal compleet onbewust, en worden eens in de zoveel tijd voor schrift vastgelegd door een klein groepje zogenaamde experts zonder dat daarbij een correlatie hoeft te bestaan met wat de sprekers van de taal daadwerkelijk doen.

      • Beste Lucas,
        Een hellendvlakargument is niet noodzakelijk een drogreden. Hellende vlakken bestaan. Het gedogen van hennep heeft bijvoorbeeld geleid tot het ook gedogen van andere lichtere drugs. Bij een hellend vlak als drogreden gaat het vaak om een onrealistisch schrikbeeld.

        Wat correct Nederlands is, is ook een sociaal-culturele norm. Het gaat erom waar onderwijzers een rode streep door zetten bij een opstel en wat netjes is in een sollicitatiebrief.

        Als de lesboekjes op dit punt worden aangepast, is dat een flinke operatie en er zal dan inderdaad zo’n ondemocratische commissie aan het werk gaan. Verschillende partijen zullen immers op één lijn moeten komen. Zou deze commissie genoegen nemen met één te veranderen regel? Zal ‘groter als’ dan zeker niet op tafel komen? Kun je echt uitsluiten dat ook die regel wordt aangepast, zoals Peter-Arno Coppen suggereert?

        • Lucas Seuren schreef:

          Misschien wordt dit semantisch, maar is drugs geen vlak vlak? Als je de ene softdrug gedoogt moet je een reden hebben om een andere te verbieden. Gelijke monniken, gelijke kappen. Bij taal wordt gedaan alsof er chaos ontstaat en niemand elkaar meer gaat begrijpen; iedereen doet maar wat.

          Wat ik nog zie is een onderscheid tussen een reeks voorschriften over hoe we willen dat Nederlanders schrijven en de daadwerkelijke Nederlandse taal. Er zijn goede redenen om schrift te standaardiseren; je kunt bij onbegrip geen herstel doen zoals je probleemloos kunt doen in gesproken taal. Je wilt er dus voor zorgen dat iedereen je begrijpt. Maar er is geen enkele reden om dan maar te zeggen dat als mijn broertje ‘hun’ gebruikt als subject ik hem moet corrigeren. Daar is werkelijk niemand bij gebaat en dat doet niks af aan het Nederlands en de taalnormen aangezien, zoals gezegd, die toch altijd al onderhevig zijn aan verandering.

    • Peter-Arno Coppen schreef:

      Ik geloof niet dat ik het hellendvlakargument bestrijd door het een hellendvlakargument te noemen. Mijn stelling is dat wat het argument beweert (namelijk dat allerlei andere taalvormen de taal binnenglippen) in werkelijkheid nooit gebeurt. Dat kun je op jouw beurt weer bestrijden door een voorbeeld te geven van een geval waar het wel zo is dat accepteren van de ene taalvorm de deur opent voor allerlei andere taalvormen.

  2. willem huberts schreef:

    De laatste stelling van mijn proefschrift (van maart 2017) luidde: ‘Het subjectief gebruik van het pronomen personale “hun” door onderwijzend personeel van het basisonderwijs dient onderwerp te zijn van strafrechtelijke vervolging.’ Ondanks het sarcastische tongue-in-cheek aspect geeft deze stelling nog altijd goed weer waar het mij om gaat: vechten tegen taalverandering is vechten tegen de bierkaai, maar sommige taalveranderingen hoeven niet bespoedigd te worden.

  3. Jos Van Hecke schreef:

    Zo hevig als het ‘hun’ debat woedt in Nederland, zó totaal afwezig en dood is het in Vlaanderen en allicht ook in dat andere officieel Nederlandstalige land Suriname. Natuurlijk varieert en wijzigt het taalgebruik op de diverse ‘praatvloeren’ in Nederland, Vlaanderen en Suriname maar dat betekent absoluut niet dat meteen ook de gemeenschappelijke ‘standaardtaal’ varieert of wijzigt. Alvast zeker niet met betrekking tot de grammaticale bouwstenen. ‘Standaardtaal’ staat per definitie voor één gemeenschappelijke grondwoordenschat, één gemeenschappelijk grammaticaal systeem evenals één gemeenschappelijk spellingsysteem, beide laatste bovendien bij voorkeur zo eenduidig mogelijk, zonder al te veel keuze tierelantijntjes of subtiele onderscheidjes die de taal en het taalgebruik alleen maar verzwaren en bemoeilijken. Als men bv. een ‘voordeel’ ziet in het gebruik van ‘hun’ als onderwerp omdat dit dan – in tegenstelling tot ‘zij’ /’ze’ – exclusief naar personen zou verwijzen dan past het om daar meteen bij te zeggen dat het ook zaak wordt er goed en aandachtig op te letten dat ‘hun’ absoluut niet kan noch mag worden gebruikt om te verwijzen naar ‘dieren’ of ‘niet levende dingen’. Dat levert ons dus een ingewikkeld taalregeltje méér op, niet minder. Bovendien staat dit subtiel onderscheid tussen personen, dieren en dingen volkomen haaks op de hoofdzakelijk in Nederland in zwang zijnde niet subtiele trend om elk – in de Nederlandse taal fundamenteel – grammaticaal geslachtelijk onderscheid simpelweg uit te gommen (de koe, hij staat in de wei en zij, de meisje, kijkt ernaar). Dit maakt – alles bij en door elkaar – van de Nederlandse taal een smakeloos ogend creools hutsepotje. Jullie (Nederlanders) mogen het graag hebben maar wij (Vlamingen) lusten het niet!

    In verband met de in Nederland vrij over de tongen glijdende alternatieve onderwerpsvorm pers. vnw. 3de persoon mv. ‘hun’ wil ik hier graag even verwijzen naar de overeenkomstige grammaticale vorm in het standaard Afrikaans, zijnde de vorm ‘hulle’ die ‘verdacht’ veel lijkt op de blijkbaar uit het niets opduikende Hollandse alternatieve onderwerpsvorm ‘hun’. Dat Afrikaans evenwel geen Nederlands is en dat Nederlands vooralsnog niet gepromoveerd is tot Afrikaans, moge blijken uit de vaststelling dat de Afrikaanse vorm ‘hulle’ tezelfdertijd fungeert als onderwerpsvorm én als lijdende voorwerpsvorm én als meewerkende voorwerpsvorm én als wederkerende voorwerpsvorm én als bezittelijk voornaamwoord. Een zinnetje als ‘hulle het hulle gesê dat hulle het hulle vergis in hulle antwoorde’ behoort tot het standaard Afrikaans. (Voorlopig) voor de lol omgezet in het progressief vrijelijk evoluerend Nederlands van de noordelijke Nederlanden zou dit als volgt klinken: ‘hun hebben hun gezegd dat hun hun hebben vergist in hun antwoorden”. Eenvoudig toch, ware het niet dat ook de simpelste eenvoud in de grootste complexiteit kan eindigen. Dit is echter geen reden om een taal complexer te maken dan ze al is. De Afrikaans sprekende gemeenschap van Zuid-Afrika beseft dit beter dan wie ook.

Reacties zijn gesloten.