Gedicht: Willem Kloos – Sonnet en scheldsonnet

Vandaag verschijnen bij Vantilt de heruitgave van Willem Kloos’ vermaarde bundel Verzen, met daarin ook de beruchte scheldsonnetten, én de biografie Willem Kloos [1859-1938] van Peter Janzen en Frans Oerlemans (waarin onder meer wordt geopperd dat Kloos een borderliner was).

Zooals daar ginds, aan stille blauwe lucht,
Zilveren-zacht, de half-ontloken maan
Bloeit als een vreemde bloesem zonder vrucht,
Wier bleeke bladen aan de kim vergaan,–
Zóó zag ik eens, in wonder-zoet genucht,
Uw half-verhulde beelt’nis voor mij staan,–
Dán, met een zachten glimlach en een zucht,
Voor mijn verwonderde oogen ónder-gaan.

Ik heb u lief, als droomen in den nacht,
Die, na een eind’loos heil van éénen stond,
Bij de eerste schemering voor immer vloôn,–

Als morgen-rood en bleeke sterren-pracht,
Iets liefs, dat men verloor en niet meer vond,
Als alles, wat héél ver is en héél schoon.

*

O kereltje in uw regen-jassen-trots,
Waarmee ge, als een barbaarsche potentaat,
Durft fiertjes stappen door de Kalverstraat,
Met houten nek en gelaat, bruut als rots,

Als waart ge een keerl, die op zijn pooten staat,
Zijn eigen, en niet bukken wil voor Gods
Geheimnis ondoorgrondbaar. – Maar gij plots
Zult merken mensch te zijn niet, surrogaat

Van het waarachtig Mensch-zijn, gij die manlijk
Wilt zijn, en toch gekund hebt met bedriegers
Te knoeien tegen mij, die ’t heel plan dóórzag,

Toen ‘k was ten doode ziek. O, schandlijk, schandlijk
Staan tegen Mij op, als brutale liegers,
Tegen dit mensch, die heel dit tijd-perk vóór-zag.

Willem Kloos (1859-1938)
uit: Verzen (1894)

 

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter