Gedicht: Louis Couperus – Indiesch dolce-far-niente

Nieuw in de dbnl: poëzie van Ten Kate en Couperus, brieven van Erasmus, en nog veel meer.

Indiesch dolce-far-niente

Den goudgebruinden arm rondom het hoofd,
Het gitzwart hair al warlend nedervloeyend,
Den weeldrig-schoonen mond van purper gloeyend,
In ’t schittrend oog het vier maar half gedoofd;

Zoo lag ze, als in heur droom der aarde ontroofd.
En goudgewiekte vlinders speelden stoeyend
Haar om de koonen, die, als rozen bloeyend,
Zich tintten met den blos van donzig ooft.

De bonte sarong was haar op den boezem
In ééne wrong bevallig vastgehecht;
Uit heure lokken zeeg melatti-bloesem,

Nog fonkelend van dauw er doorgevlecht.
Dus lag ze daar, in zonnegloed versmacht,
Zoo zalig, of zij zich een houri dacht.

Louis Couperus (1863-1923)
uit: Een lent van vaerzen (1884)

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.