François van Hoogstraten, van mystiek naar humanisme

Door Ton Harmsen

Van mystiek naar humanisme – hoe groot is die stap? In ieder geval klein genoeg om door één auteur genomen te worden. François van Hoogstraten (1632-1696) is (behalve als lid van een familie van boekhandelaars, kunstschilders en literatoren) vooral bekend omdat hij in 1676 de Lof der Zotheid in het Nederlands vertaalde, en een jaar daarna Erasmus’ Handboexken van den christelijken ridder en de Utopia van Erasmus’ vriend Thomas More. Maar deze humanist is begonnen als vertaler en bewerker van mystieke werken. In 1659 werd hij (naar eigen zeggen) gegrepen door het Libro de la vanidad del mundo (1562) van Diego de Estella, dat hij vertaalde als De versmading der wereltsche ydelheden (door hemzelf uitgegeven in 1659). Deze mystieke, katholieke literatuur fascineerde hem lange tijd. In 1668 inspireerde het leven voor God hem tot een bijzondere embleembundel onder de titel Het voorhof der ziele, waarin hij Estella herhaaldelijk citeert. In de zuidelijke Nederlanden zijn embleembundels over Godsbeleving een bekend verschijnsel, maar voor een Rotterdammer is het bijzonder op deze manier thema’s uit mystieke literatuur in te presenteren. Weer een decennium later had hij kennelijk behoefte aan concretere wijsheid dan de mystieke ervaringen van het voorhof (het atrium, de wachtzaal) van de, en richtte hij zich op de meer op de actualiteit gerichte beschouwingen van de twee zestiende-eeuwse humanisten.

Met de term ‘voorhof’ bedoelt François van Hoogstraten het leven op aarde in afwachting van het hemelse geluk. In Het voorhof der ziele staan 60 prenten van de dan jonge Romeyn de Hooghe (1645-1708), en aan de hand van die emblematische voorstellingen beschouwingen over God en godsdienst. Zijn voornaamste onderwerp is de vanitas, de ijdelheid der ijdelheden: hoe men zich moet afkeren van aardse bezittingen en genoegens, om direct tot God te komen. In dat opzicht is zijn stap naar Erasmus en Thomas More niet eens zo groot: in hun werk is geen mystiek aan te wijzen zoals die voor Van Hoogstraten een rol speelt, maar ook zij wijzen de hang naar aardse verlangens en rituelen af. De zestig gedichten in de embleembundel zijn elk ongeveer honderd verzen lang en hebben een titel en een motto; honderden noten verwijzen naar citaten uit de bijbel, de kerkvaders en de klassieke filosofie en literatuur. Zoals in het 27ste embleem, over het verwoestend effect van verblinding in theologische debatten:

DE VREEZE DES HEEREN IS HET BEGINSEL DER WIJSHEIT. Prov. 1:7.

XXI. El Letrado sin virtud con las armas de las letras, y opinion, que tiene, destruye a si, y a otros muchos. Diego de Estella.

HOE eene Stad vol volks zou overende staen,
Indien een raezend mensch de handen quam te slaen
Aen eenen degen, en daer meê begon te moorden,
Was licht te dencken, en niet noodigh hier met woorden
Verhaelt te worden, of te tekenen in Prent:
Mijn geest vereischt alleen, om minder in het end
Van zijn bespiegelinge en overlegh te missen,
Dien dollen op de ry van zijn gelijckenissen;
Het Beeld des genen, die een’ ander’ overtreft
In wetenschappen, en zich reukeloos verheft
In zijne kennis en geleertheit, op die gronden,
Gelijk hy roemen derft, by niemant uitgevonden.
.        (Frans van Hoogstraten, Het voorhof der ziele, p. 58-59)

Een opvallend groot aantal citaten (die hij in de marge en aan de voet van de bladzijden afdrukt) zijn genomen uit mystieke literatuur: de Saksische Parijzenaar Hugo van Sint-Victor, de Spaanse Franciscaan Diego de Estella (Didacus Stella), de Napolitaan Marcello Stellato (Marcellus Palingenius Stellatus). Van hen ontleent Van Hoogstraten het meest aan Diego de Estella, die hij veelal in het Latijn, Spaans en Italiaans aanhaalt. Meer in de richting van Erasmus is het werk van de Spanjaard Diego de Saavedra Fajardo, die ook een embleembundel maakte: Idea de un príncipe político cristiano, representada en cien empresas (1640). Van Hoogstraten citeert uit de Latijnse vertaling van dit werk die in 1651 in Amsterdam verscheen: Idea principis christiano-politici, 101 sijmbolis expressa. Het is een vorstenspiegel zoals de Institutio principis Christiani van Erasmus, die rond 1615 in het Nederlands vertaald werd als Onderwijsinge eens christelijcken prince.

Het frequente gebruik van Spaanse (of uit het Spaans vertaalde) citaten in een Nederlandse bundel bracht de historicus José Javier Azanza López, verbonden aan de Universidad de Navarra (Pamplona), ertoe de bronnen die Van Hoogstraten gebruikt te bestuderen, en vooral de betekenis die Estella en Saavedra voor de Rotterdamse schrijver hadden. Onder zijn leiding doet Silvia Cazalla Canto een promotie-onderzoek over ‘La antesala del alma’ zoals het boek heet in de werkvertaling van Alejandra Szir, een in Leiden afgestudeerde Argentijnse die zowel het Spaans als het zeventiende-eeuwse Nederlands uitstekend beheerst. Voor een goede vertaling is een goede transcriptie nodig, zodat als nevenproduct een uitgave van de tekst ontstond; deze is nu op de site van de opleiding Nederlands in Leiden gepubliceerd, met foto’s van een exemplaar in de UB van Amsterdam, dat in de zeventiende eeuw professioneel ingekleurd is. De liefhebber van Romeyn de Hooghe zal het blasfemisch vinden, maar voor gewone stervelingen zijn de kleurige prenten prachtig.

De tekst roept allerlei dringende vragen op: waar komen de bijbelcitaten vandaan? Van Hoogstraten meldt dat hij een katholieke bijbel gebruikt heeft, en in de Statenvertaling zijn ze inderdaad vaak moeilijk te vinden. Allerlei bijbelboeken hadden in de verschillende uitgaven een afwijkende benaming en een afwijkende vers-telling. Hier ligt nog een groot karwei voor de identificatie. De andere motto’s en citaten zijn evenmin gemakkelijk te traceren, vooral omdat Van Hoogstraten achteloos van de ene taal naar de andere overstapt. Het zal nog een hele sport zijn te weten waar ze vandaan komen, en dan is het altijd nog een kwestie waarom ze daar staan, en welke context ze meebrengen die weer voor de interpretatie van die plaats in Het voorhof der ziele van belang is.

Het onderzoek van Silvia Cazalla Canto begint pas. In Nederland is deze tekst nog niet uitvoerig onderzocht, een gênante omissie. Een student die onderzoek naar Het voorhof wil doen heeft er een dankbare taak aan, zeker ook omdat dat voor de Spaanse onderzoekers van de tekst minder gemakkelijk zal zijn; een deel van de bronnen is immers Nederlandstalig. Voor het controleren van de Spaanse vertaling (een werkvertaling die niet gepubliceerd zal worden) is iemand met goede kennis van het zeventiende-eeuwse Nederlands en van het moderne Spaans nodig. Alejandra Szir wil op dat gebied graag samenwerken. En dan is er nog de kwestie van hoe dit alles past in de ontwikkelingsgang van François van Hoogstraten: welke ontwikkeling heeft zijn opvatting over godsdienst in zijn werk doorgemaakt? Dit boek werpt zoveel vragen op dat nader onderzoek een prachtige en zinvolle uitdaging is.

Het voorhof der ziele is te vinden op http://www.let.leidenuniv.nl/Dutch/Renaissance/HoogstratenVoorhof1668.html

Dit bericht is geplaatst in letterkunde, oproep met de tags , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter