Wederwaardigheden bij het editeren: een in stukken gesneden meesterwerk

                                                                                                                 Door Viorica Van der Roest

De Parthonopeus van Bloys is fragmentarisch overgeleverd. Dat betekent dat we geen volledige handschriften van de roman hebben, maar alleen maar losse stukken, die her en der in oude boekbanden zijn opgedoken. Dat is natuurlijk jammer, maar we hebben het ermee te doen. En gelukkig zijn het niet maar snippertjes; het gaat zelfs vaker om bladen dan om strookjes. Het zijn er ook niet weinig: 10 stroken en maar liefst 58 bladen, afkomstig uit zes verschillende handschriften. Vandaag in deze serie een korte geschiedenis van hoe die fragmenten vanaf de 19e eeuw weer terug zijn gekomen uit de vergetelheid.

In de 16e en 17e eeuw was het verhaal van Parthonopeus en Melior in onze streken alleen nog bekend in een volksboek, dat niet terug gaat op de Middelnederlandse roman, maar op een Spaans volksboek. Wat er met de middeleeuwse Parthonopeushandschriften gebeurd was, is niet minder dan een horrorfilm voor liefhebbers van boeken: in stukken gesneden werden ze, en dan gebruikt als verstevigingsmateriaal voor nieuwe boeken. Dat gebeurde natuurlijk niet alleen met Parthonopeushandschriften, maar met alle middeleeuwse handschriften die om wat voor reden dan ook niet meer gebruikt werden. De taal werd te archaïsch bevonden, de inhoud was misschien soms ook niet meer interessant, maar het perkament was nog best bruikbaar. Besef van duurzaamheid kan de boekbinders van toen in ieder geval niet ontzegd worden. Die nieuwe boeken, met de middeleeuwse kostbaarheden verborgen in ruggen en banden, gingen vervolgens heel Europa door in het kielzog van hun bezitters.

Op 26 april 1821, in de stadsbibliotheek van Trier, dook er voor het eerst een stukje Parthonopeus van Bloys op. Het werd in een boekband gevonden door August Hoffmann von Fallersleben, en in 1822 uitgegeven door Bilderdijk in Taal- en dichtkundige verscheidenheden deel III. Dit waren nog maar twee halve bladen, maar ongeveer tegelijkertijd werden er meer vondsten gedaan. In Keulen werd in de Gymnasialbibliothek een dubbelblad uit een ander handschrift gevonden, en in Jena trof de bibliothecaris Göttling maar liefst twaalf bladen aan in een aantal boekbanden, waarin ze als dekbladen werden gebruikt. Deze waren afkomstig uit een derde handschrift. In Groningen werden ook nog twee dubbelbladen van dit handschrift gevonden.

Een belangrijke rol in het boven water toveren van Parthonopeusfragmenten heeft de Duitse geleerde Ferdinand Deycks gespeeld. Hij verzamelde in de loop der tijd maar liefst dertien dubbelbladen van het handschrift waar ook het dubbelblad in Keulen uit afkomstig was.  Intussen was er trouwens bij de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde in Leiden nog een dubbelblad van dit handschrift opgedoken.

Jammer genoeg is nergens gedocumenteerd hoe en waar Deycks zijn dertien dubbelbladen van dit handschrift heeft verworven. Van een andere vondst van hem weten we wel iets: hij kocht twee bladen – van hetzelfde handschrift waaruit ook de twaalf bladen in Jena kwamen en de vier in Groningen – van een priester in Xanten. De Luikse hoogleraar Bormans, een vriend van Deycks en de latere editeur van de Parthonopeusfragmenten, vertelt hierover:

“Ik weet niet van waer de boeken daer Göttling de fragmm. van Jena in vond, eigentlijk komen, nog ook waer die van Groningen ontdekt zijn geworden; maer de mijne, die slechts als losse schutbladen ingebonden en nimmer voor of achter vastgelijmd zijn geweest, komen van Xanten, oudtijds Vetera, waer ze over 70 jaer aen eenen priester behoorden, die er zelf een deel van op den papieren omslag afgeschreven had en er prijs aen hechtte.”

(Ferdinandus Deycks en Jan-Hendrik Bormans (eds.), Parthonopeus van Bloys. F. Hayez, Brussel, 1871, p. XIV-XV).

Deycks was ook degene die een afschrift van de tekst op deze dertien, hier en daar zwaar beschadigde, dubbelbladen maakte. Hij was van plan om een editie van alle fragmenten uit te brengen, maar overleed onverwacht voordat hij zijn plan kon uitvoeren. Zijn weduwe stuurde in 1868, enkele maanden na de dood van haar man, een pakketje met de dubbelbladen en Deycks’ afschrift ervan aan de Luikse hoogleraar Bormans. Deycks had met hem over zijn editieplannen gesproken, en Bormans had hulp toegezegd. Nu aan hem de taak om de nieuwe editie te maken. De keuze van de weduwe Deycks voor Bormans als editeur van de Parthonopeus van Bloys bleek al snel vrij rampzalig uit te pakken, maar daarover later in deze serie meer.

In de loop van de verdere 19e en de 20e eeuw werden nog meer fragmenten ontdekt, afkomstig uit nog drie andere handschriften. Van Maastricht tot Praag: de fragmenten bleken letterlijk (in de breedte dan) over heel Europa verspreid te zijn geraakt.

 

Het volksboek over ‘Partinoples, grave van Bleys’ is uitgegeven door S.P. Uri; zijn editie is via de DBNL te raadplegen.

Een goede inleiding over fragmentarische overlevering van middeleeuwse handschriften geeft Dirk Geirnaert in ‘‘Membra disiecta’: banden met het versneden verleden’. In: R. Jansen-Sieben, J. Janssens en F. Willaert (red.), Medioneerlandistiek. Een inleiding tot de Middelnederlandse letterkunde. Hilversum, 2000, p. 85-101.

Eerdere afleveringen in deze serie:

Inleiding

Literatuur tussen het puin

Dit bericht is geplaatst in codicologie, edities, letterkunde met de tags , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter