Vóór gespreksvaardigheid

Eindexamen gesprek (aflevering 3)

Door Marc van Oostendorp

De oudste en belangrijkste taalvaardigheid, schreef ik gisteren, is het gesprek. Socrates wist het al.

De Griekse oudheid was natuurlijk niet de laatste keer dat het gesprek gewaardeerd werd. In de negentiende en de vroege twintigste eeuw gold de ‘beschaafde conversatie’ ook als zo’n beetje de belangrijkste vaardigheid die iemand moest beheersen. Schrijvers als Denis Diderot en Oscar Wilde waren in hun eigen tijd minstens even bekend voor hun conversatie als voor hun geschreven werk. Alleen is natuurlijk alleen het laatste overgebleven. Een goed gesprek laat weinig sporen na behalve dat het de gesprekspartners voor altijd heeft veranderd.

Er valt nog steeds veel voor te zeggen. Wie zich beperkt tot de rol van luisteraar of lezer, laat taal over zich heen komen zonder dat hij om opheldering kan vragen. Hij laat zich in een passieve rol drukken, en in zo’n rol neem je minder makkelijk op. Wie zich beperkt tot de rol van spreker of schrijver, weet nooit precies of alles aankomt. Stel, ik maak hier ineens een grapje: hoe weet ik dan of jij dat grapje begrijpt en waardeert? Hoe kan ik de schade beperken als het grapje verkeerd valt? Of er nog een grapje overheen maken? (Ik stel nu allemaal vragen: waarom antwoord jij, lezer, niet?)

Accountant

Zeggen dat brieven, artikelen en toespraken beter zijn dan een gesprek is zeggen dat water uit een fles beter is dan wat je schept uit het bergbeekje.

Het gesprek is bovendien waarschijnlijk de vorm waarin sommige van de belangrijkste gebeurtenissen in ons leven zich voordoen. Volgens sommige schattingen spreekt een mens op een dag in gesprekken ongeveer 20.000 woorden uit – de helft van dit boek. Er zijn op het werk, natuurlijk, de al dan niet gestileerde gespreksvormen van het sollicitatiegesprek, het functioneringsgesprek en het slechtnieuwsgesprek. Iedereen met een baan heeft in ieder geval sommige van die gesprekken weleens gevoerd. Mensen die niet voor een baas werken hebben aan de andere kant bijvoorbeeld gesprekken om opdrachten te verwerven, of om samen te werken met anderen, of om inlichtingen te krijgen met een accountant.

Verliefd

Ook verder loopt ons burgerleven langs een lijn van gesprekken. Met de hypotheekadviseur. Met een aannemer die een dakkapel op je huis beloofde te zetten en dat nooit deed. De gemeenteambtenaar die komt kijken naar je dak. Met je advocaat omdat je iemand een net iets te harde duw hebt gegeven.

Dan hebben sommige mensen ook nog een privé-leven. Daarin zijn gesprekken pas echt het belangrijkste dat we hebben.

Neem de liefde. De eerste fase van vrijwel iedere relatie begint met verliefdheid, en iedere iets langduriger verliefdheid wordt gevierd met eindeloze gesprekken tussen de geliefden. Het hele voorgaande leven moet worden verteld, en er moet eindeloze verbazing worden geuit over hoe wonderlijk het is dat er twee mensen zijn die zoveel voorkeuren en smaken delen. Iedereen die twee mensen samen ziet praten, weet wanneer ze verliefd zijn.

Monologen

Wat niet wil zeggen dat gesprekken in andere relaties onbelangrijk zijn. Integendeel. Neem bijvoorbeeld de kortstondige relaties die je onderhoudt met volslagen met wie je je samen in een afgesloten ruimte bevindt: de wachtkamer van de tandarts, een lift, een treincoupé. Het voelt bijzonder vreemd en ongemakkelijk om in zo’n ruimte lange tijd geheel niets te zeggen, tenzij je erin slaagt op de een of andere manier die mensen volkomen te negeren.

Gesprekken zijn daarmee de ultieme taalvaardigheid. En de meeste mensen kunnen dat natuurlijk ook redelijk goed – goed genoeg om het leven door te komen. Het is alleen een beetje absurd om leerlingen wel vertrouwd te maken met grootse en uiteindelijk weinig voorkomende vormen als de mondelinge voordracht en het opiniestuk, en zo weinig met het gesprek.

Enfin, het is nog niet eens nodig om argumenten te geven waarom het beter is om minder aandacht te besteden aan al die monologen. Het gedrag van mensen laat al zien dat we ze eigenlijk niet willen.

Kort en snel

Ik schrijf inmiddels ook nog maar zelden een echte brief, en zeker geen persoonlijke. Ik heb nog een paar vrienden en vriendinnen met wie ik uitvoeriger mails uitwissel. Maar ook die mailwisselingen verstuiven langzaam, als zandkastelen op het strand waartegen permanent een briesje blaast. We gaan over op WhatsApp en op Twitter, en we schrijven nog wel af en toe een aanhef met ‘beste Peter’, maar de mededelingen eronder worden steeds meer gesteld in diezelfde telegramstijl.

En mijn correspondentievrienden en ik zijn oud. Jongeren grijpen vanzelf terug op de taalvormen die voor mensen het natuurlijkst zijn: die van de korte en snelle interactie.

Besjes

Ik denk dat je klachten van mensen die ontdekken dat ze steeds minder aan lezen toekomen, in hetzelfde licht moet zien. De tijdschriften en de kranten waaruit de eindexamenmakers hun materiaal halen, hebben al vele jaren te kampen met dalende oplagen. De meeste abonnementen worden opgezegd omdat mensen zeggen dat ze geen tijd meer hebben om alles te lezen. Ik kende vroeger allerlei mensen die de krant van voor naar achter lazen, iedere dag. De meeste van die mensen zijn dood of zitten inmiddels op Facebook. Ook met de boekhandel gaat het slecht.

Het betekent niet dat mensen niet meer lezen. Het betekent wel dat ze steeds meer fragmentarisch lezen. Het betekent dat ze steeds meer lezen zoals je luistert: niet als een jager die een grote buit binnenhaalt en deze in een keer verschalkt omdat het vlees anders gaat rotten, maar als een verzamelaar die steeds wat besjes van het veld haalt en deze een voor een eet.

Boek

Ik zie ook wel dat er iets verloren gaat met deze ontwikkeling. Ik denk dat het heel belangrijk is dat we mensen weer aan het lezen krijgen. Er is geen betere manier om geïnformeerd te raken over actuele problemen dan door een non-fictieboek te lezen. Er is geen betere manier om mens te zijn dan door fictie of poëzie te lezen. De kunst van de langere adem is een hoge kunst, en mag voorlopig niet verloren gaan. En dat kunnen we natúúrlijk alleen bereiken door in het onderwijs kinderen te leren met langere teksten om te gaan, zich te concentreren in een stille kamer en zich tijdelijk op te sluiten met alleen één andere geest: die van een boek.

Maar niet al je streven kan gericht zijn op het voorbereiden van jongeren op een ideale samenleving. Daarover meer in de volgende aflevering.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW) en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column, Neerlandistiek voor de klas, schoolvak Nederlands met de tags , , , , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Vóór gespreksvaardigheid

  1. Willem van Doorn schreef:

    “Wie zich beperkt tot de rol van luisteraar of lezer, laat taal over zich heen komen”

    Is dat nu wel zo? Zowel luisteren (i.t.t. horen) als ook lezen zijn actieve bezigheden. Als ik luister, luister ik naar patronen (zij het muziek of woorden). Welke taal wordt er gesproken? Wat zegt die man nu eigenlijk? Hoe kan hij zoiets nou zeggen? We kennen allemaal mensen die tegen de tv praten.
    Lezen is ook niet passief. Zelfs als je een boek of tijdschrift doorbladert (hetgeen dicht bij “over je heen laten komen komt”) zoek je -misschien onbewust- naar patronen, en moet je opeen even terugbladeren naar wat je opeens even opgevallen is. Verder werkt je brein constant: Hoe past wat ik lees in mijn wereldbeeld? Ben ik het daar nu wel mee eens? Als ik een beschrijving van iemand lees, hoe stel ik me die nou voor? enz.
    Het kan best hard werk zijn.

Reacties zijn gesloten.