Universiteit voert debat over onderwijstaal

Door Yves T’Sjoen

Vorige week maakte De Standaard in de bijdrage ‘N-VA tegen meer Engelstalige opleidingen’ bekend dat de “Universiteit Gent [af wil] van de strikte regeltjes die Engelstalige opleidingen belemmeren” (2 maart). Naar verluidt wil het bestuur “meer autonomie” inzake taalbeleid en kunnen de taalnormen voor hoger onderwijs worden versoepeld. Aanleiding voor het persbericht is een advies van de VLOR, de Vlaamse Onderwijsraad, waarin “de afschaffing van die quota” wordt bepleit. De VLOR, waarin ook de hogere onderwijsinstellingen vertegenwoordigd zijn, toont zich met het advies weinig bewust van het verleden en houdt geen rekening met de taalcompetenties van het overgrote deel van het studentenpubliek aan Vlaamse universiteiten.

Taalquota

De quota bepalen dat 35% van de masteropleidingen en 6% van de bacheloropleidingen in een andere taal dan het Nederlands mogen worden aangeboden. Indien een Engelstalige opleiding bestaat, moet die strikt genomen minstens aan een andere universiteit ook in het Nederlands worden voorzien. Aan deze taalregeling wordt nu getornd. In tegenstelling tot de uitspraken van N-VA over de kwestie, zo meldt De Standaard, stelt het kabinet van Hilde Crevits, minister van onderwijs, dat het advies van de VLOR (nog) niet ter sprake kwam in de regering.

Enkele maanden geleden kwamen de taalvoorwaarden voor het hoger onderwijs al ter sprake. Het ging toen over de termijn waarbinnen anderstalige professoren de kans krijgen zich het Nederlands, de wettelijk bepaalde voertaal van de Universiteit Gent, eigen te maken en het getuigschrift Nederlandse taalvaardigheid niveau B2 te behalen. Nu is dat nog drie jaar, binnenkort is het een termijn van vijf jaar.

Het mag duidelijk zijn dat bestuurders van de Universiteit Gent, althans volgens de woordvoerder, ijveren voor een meer flexibele hantering van de taalnorm. Méér buitenlandse studenten die Nederlands-onkundig zijn moeten een opleiding kunnen volgen aan de Alma Mater en moedertaalsprekers Nederlands krijgen dankzij een Engelstalige specialisatieopleiding gemakkelijker toegang tot het internationale circuit van het vakgebied. Het zijn argumenten die de revue passeren.

Pro & contra

Er zijn pro’s en contra’s. De Raad voor Nederlandse taal en letteren van de Taalunie stelde recent een rapport samen waarin aanbevelingen worden geformuleerd voor het “Nederlands als taal van wetenschap en hoger onderwijs” (september 2016). In de notitie van 26 pagina’s presenteert de Raad, het adviesorgaan van het Comité van Ministers in Nederland en Vlaanderen, een genuanceerde visie op het taalbeleid voor tertiair onderwijs in het Nederlandse taalgebied. In de Nieuwsbrief 5 (oktober 2016), met de titel ‘Niet alles Engels, please’ en gepubliceerd in het online tijdschrift van de Taalunie Taalunie:bericht, betoogt Reinhild Vandekerckhove (Universiteit Antwerpen en voorzitter van de Raad) dat er vooral geen kruistocht moet worden gevoerd tegen het Engels. Ik citeer: “Wij zien het belang van het Engels als internationale wetenschappelijke publicatietaal en het belang van het Engels voor de internationalisering van het hoger onderwijs. Maar dat volledige opleidingen zomaar verengelsen, vinden wij wel een punt van zorg. Vaak gebeurt het niet om weldoordachte redenen, maar vanuit commerciële overwegingen”.

Vooral het woordje “zomaar” springt in het oog, en natuurlijk ook de “commerciële overwegingen”. De door de VLOR voorgestelde en in de praktijk al enkele jaren ingezette versoepeling van de taalquota is in vele gevallen gebaseerd op weinig beredeneerde keuzes. We moeten inderdaad niet “zomaar” het hoger onderwijs verengelsen. Daarover moet goed worden nagedacht en het is van belang dat daarover een breed maatschappelijk debat wordt gevoerd. We zijn het aan de samenleving verplicht. Indien naast een Engelstalige opleiding in Vlaanderen altijd aan “een andere universiteit in Vlaanderen dezelfde studie grotendeels in het Nederlands” moet worden aangeboden, zo stelt de Vlaamse regelgeving, dan hangt daar een behoorlijk prijskaartje aan vast. Wie zal dat betalen? De economische reden mag geen aanleiding zijn om dan maar alles te verengelsen. Hoe ver gaat de versoepeling eigenlijk?

Cijfers en argumenten

Overigens komt de Raad van de Taalunie ook met cijfergegevens. De Standaard citeert in hetzelfde artikel CD&V-parlementslid Kathleen Helsen. Er is sprake van “1,85 procent van de bacheloropleidingen” die vandaag Engelstalig zijn “en 21,59 procent van de masters”. Indien de norm is bepaald op respectievelijk maximaal 6% en 35%, dan is er nog verengelsingsmarge. De cijfers komen inderdaad overeen met wat in de Nieuwsbrief van de Taalunie staat. Ter vergelijking: aan Nederlandse universiteiten worden 66% van de masteropleidingen in het Nederlands aangeboden en 18% van de bacheloropleidingen (in de hogescholen respectievelijk 25% en 6%).

Het mag duidelijk zijn dat wie tornt aan de quota de deur openzet naar een groeiende verengelsing van het hoger onderwijs. Er zijn soms goede redenen om die stap te zetten – zo wijst een recente discussie uit die ik voerde met studenten van verschillende faculteiten aan de Universiteit Gent. Er zijn vakgebieden die sterk internationaal zijn georiënteerd en waarvoor de wetenschappelijke lingua franca het Engels is. Wie mondiaal wil meespelen op wetenschappelijk gebied, moet in het Engels publiceren en is gebaat bij een Engelstalige opleiding. Tegelijk mogen we de eigen moedertaal niet uit het oog verliezen. Ook in het Nederlands kan en moet gelijkwaardig (excellent) onderzoek plaatsvinden. Het academisch vertoog over een vakdiscipline kan en moet ook in het Nederlands worden gevoerd. De meeste gediplomeerden komen terecht op de arbeidsmarkt van ons taalgebied en moeten zich als universitairen uitstekend kunnen uitdrukken in het Nederlands, en ook de vakterminologie in de eigen moedertaal beheersen. Het is niet een verhaal van ‘of-of’ maar ‘en-en’.

Oproep

Ik roep de bevoegde universiteitsbestuurders, politici, professoren en studenten op in het licht van het taaldebat de Kroniek van de strijd voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit (Archief RUG) te lezen. Op instigatie van professor Karel de Clerck is in 1980, ter gelegenheid van de viering van de vernederlandsing van de Gentsche Hoogeschool (1930-1980), is een bijzonder lezenswaardig panorama samengesteld waarin een eeuw van verbeten strijd voor een Vlaamse universiteit in Gent rijk is gedocumenteerd. Velen hebben zich na de Hollandse tijd, vanaf de onafhankelijk van België, tot de taalwetgeving van 1930 ingezet voor hoger onderwijs in het Nederlands. Die strijd is gevoerd in de overtuiging dat een cultuurgemeenschap en een universiteit zich niet moeten isoleren door te opteren voor eentalig moedertaalonderwijs. Zo genuanceerd waren de pleitbezorgers van een vernederlandste universiteit in vele gevallen wel.

Enkele maanden geleden, op 27 december, stuurde ik de opleidingsverantwoordelijken de aanbevelingen van de Taalunie inzake “Nederlands als taal van wetenschap en hoger onderwijs” met het verzoek de leden van de opleiding daarover te informeren. Het rapport kan onderaan het Taalunie:bericht worden gedownload. Daarmee is in zoverre ik dat weet nog niets gedaan. De eigen opleiding Taal- en Letterkunde is per definitie meertalig en het Nederlands is één van de bestudeerde talen op academisch niveau. Het taaldebat speelt in een talenopleiding misschien minder. Al klinkt dat nu zeer paradoxaal. Personeelsleden die in de opleiding actief zijn, mogen zich hopelijk meer betrokken en taalgevoelig noemen dan collega’s werkzaam in andere disciplines. Daarom ondersteun ik openlijk het initiatief van de collega’s van de vakgroep Geschiedenis die op dinsdag in auditorium A van de Blandijn (faculteit Letteren en Wijsbegeerte) een debat organiseren met als titel ‘Going English? Wie betaalt de rekening?’ . Verengelsing hoeft geen sluimerend of woekerend bestaan te leiden. Daarover is debat nodig. Voorafgaand aan dat debat formuleer ik mijn reserves bij het advies van de VLOR en roep op om met open vizier, niet partijpolitiek gestuurd, en ernstig na te denken over de consequenties van de geadviseerde versoepeling van de taalwetgeving.

Tot besluit citeer uit de Kroniek het Belgische Staatsblad van 16 april 1930, waarin het eerste artikel van de door koning Albert I ondertekende wet “betreffende het gebruik der talen aan de universiteit te Gent” is weergegeven: “Te rekenen van het academisch jaar 1930-1931, wordt het onderwijs, aan de universiteit te Gent in het Nederlandsch gegeven. Het Nederlandsch is de bestuurstaal van de universiteit”.

De verkiezing van de nieuwe rector en vicerector moet over veel gaan, maar zeker ook over taal. Er zijn faculteiten waar bijna alle opleidingen in het Engels worden gedoceerd en waar misschien nog maar weinig discussie bestaat over de administratieve, bestuurs- en vooral de onderrichtstaal. Overigens zullen niet alleen professoren maar ook studenten van de Universiteit Gent tijdens de verkiezing hun stem uitbrengen. Het is goed te beseffen dat aan onze Alma Mater in vele jaren van verfransing en dedain ten opzichte van het Nederlands culturele ontvoogding en taalbewustzijn gedurende meer dan een eeuw de inzet van een verbeten strijd is geweest. Een strijd die in 1930 is beslecht maar nu weer wordt open verklaard.

Kroniek van de strijd voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit. Karel de Clerck (red.), Archief R.U.G., Gent, 1980 en 1985 (tweede druk).

De tekst verschijnt als ook  blog op de webstek van het Instituut voor Publieksgeschiedenis van de Universiteit Gent

 

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter