Taalwetenschap: terug naar het klooster

Door Marc van Oostendorp

Misschien berusten alle twisten tussen verstandige mensen wel op een misverstand, en nog preciezer: op verwarring tussen wat de woorden die de twistenden gebruiken precies betekenen.

Je zou misschien verwachten dat taalkundigen een uitzondering op die regel zouden zijn, met hun speciale belangstelling voor woorden. Maar zo zit het natuurlijk niet in elkaar. Sterker nog, als er op deze aardkloot één volkje rondloopt dat vrijelijk allerlei begrippen herdefinieert en op basis van die verschillende definities ruzies begint te maken, dan is het wel de exotische stam der Linguisten.

Gelukkig staat er af en toe een verstandig iemand op die dergelijke misverstanden probeert op te helderen. Zo is daar nu de Spanjaard José-Luis Mendívil-Giró die in een artikel in het Journal of Linguistics ingaat op een van de diepste kloven die ons vakgebied doorsnijdt: die van de Universele Grammatica.

De term wordt tegenwoordig meestal geassocieerd met Noam Chomsky, hoewel hij zoals Mendívil terecht laat zien veel ouder is: we vinden hem al in de 13e eeuw terug.

Grillen en eigenaardigheden

De verwarring bestaat er nu uit dat je twee verschillende definities kunt geven aan het begrip ‘Universele Grammatica’. Aan de ene kant is het datgene dat alle menselijke talen met elkaar gemeen hebben. Ze hebben bijvoorbeeld allemaal een zinsstructuur met een onderwerp en een gezegde. Aan de andere kant is het datgene wat alle mensen met elkaar gemeen hebben – een soort logica van het menselijke denken, die op zijn beurt verklaart waarom talen in bepaalde opzichten op elkaar lijken.

Het middeleeuwse idee bij het begrip behelsde beide aspechten. Het was ook grotendeels pedagogisch. Je moest een talenleerling eerst inzicht geven in de universele grammatica, zodat hij begreep hoe een mens denkt, en daarna kon hij dan kennis maken van de grillen en eigenaardigheden die een bepaalde taal een bepaalde taal maakten.

Speciale module

Voor Chomsky is de tweede definitie de belangrijke. De universele grammatica is dat aspect van de geest dat mensen wel hebben en andere wezens niet, en dat verklaart waarom, als je een poes, een mensenkind en een wasmachine in een afgesloten ruimte zet met een paar volwassen mensen, na verloop van jaren het mensenkind wél de taal van die volwassenen spreekt en de poes en de wasmachine niet.

Zo bezien is het misschien allemaal volkomen logisch. De taalkunde is een vorm van psychologie of zelfs biologie en niemand zal ontkennen dat mensen een talent voor taal hebben dat bij poezen en wasmachines afwezig is.

De controverse berust volgens Mendívil vooral op het feit dat Chomsky en zijn volgelingen soms zeggen dat die cognitieve kwaliteiten waarmee wij taal kunnen leren ook specifiek zijn voor taal. Dat wij in ons hoofd een speciale module hebben om taal te leren.

Bewering van universaliteit

Het punt hiervan is dat dit eigenlijk nauwelijks bewezen kan worden. Een voorbeeld hiervan is de zogenoemde recursie, het Droste-effect, waarop de meeste discussie zich richt. Een bekend voorbeeld van recursie in de grammatica is dat je een zin kunt inbedden in een andere zin: ‘Mark slaapt’ kan worden ingebed in ‘Alexander denkt dat Mark slaapt’. Met dat inbedden kun je in theorie eindeloos doorgaan ‘Jesse denkt dat Marianne denkt dat Henk denkt dat Alexander denkt dat Mark slaapt’.

Volgens Chomsky en de zijnen is recursie hét kenmerk van menselijke taal. Tegenstanders brengen hiertegen in dat er mogelijk talen zijn zonder het genoemde soort inbedding. De Chomskyanen zeggen daarop dat dit geen goed argument is: het gaat er niet om of een taal gebruik maakt van de mogelijkheid, maar of de moedertaalsprekers van die taal ook bijvoorbeeld Engels kunnen leren, of een andere taal met recursie. De bewering van universaliteit gaat niet over talen, maar over mensen.

Inbedden

Het vervolgargument van de tegenstanders is dan dat recursie ook in andere domeinen van het menselijke denken voorkomt in plaats van taal. Bijvoorbeeld in familierelaties (de vader van mijn vader is familie van me, net als de vader van de vader van mijn vader) of in rekenen (één is een getal, net als één plus één, en één plus één plus één).

Iedereen is het er dus over eens dat de mens tot op zekere hoogte recursief kan denken (al is iedereen het er ook over eens dat het inbedden steeds lastiger wordt en op een bepaald moment in de praktijk onmogelijk). De vraag is nu: is deze recursie taal-specifiek?

Je kunt zeggen: ja, en rekenen en familierelaties beheren zijn een soort parasitische vormen van dat taalvermogen toepassen op oneigenlijke domeinen. Of je kunt zeggen: nee, recursie in taal is slechts een specifieke toepassing van deze algemene vaardigheid.

Precies

Hoewel het in theorie mogelijk is dat we ooit een manier vinden om de verschillen tussen die twee visies te toetsen, valt er op dit moment eigenlijk geen zinnig woord over te zeggen. Filosofisch zijn de meningen wel verschillend, maar omdat we bijna niets weten over de menselijke geest, kunnen we ze empirisch niet uit elkaar houden.

Volgens Mendívil moeten de ‘chomskyanen’ en de ‘antichomskyanen’ daarom ophouden met hun kinderachtige gekibbel. Ze houden zich niet met tegenovergestelde zaken bezig, maar met complementaire. De chomskyanen schrijven de universele grammatica, hetgeen alle talen gemeen hebben omdat ze nu eenmaal in het menselijke bolletje passen en niet in dat van poezen, wasmachines of supermensen. De antichomskyanen houden zich bezig met de historisch gegroeide eigenaardigheden die iedere taal heeft. Precies als in de middeleeuwen!

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW) en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags . Bookmark de permalink.