Taalkundigen zijn betere sociologen

Door Marc van Oostendorp

De Gents-Tilburgse geleerde Jan Blommaert begint zijn recente uitbundige lofzang op de sociolinguïstiek met enkele kritische noten. Volgens hem hebben zijn collega’s soms te weinig ambities. Ze zien zichzelf vooral als ijverige verzamelaars van gedetailleerde gegevens over hoe de taal in de wereld om ons heen varieert en verandert, ze passen daarop geavanceerde en intelligente technieken toe. Maar ze proberen te weinig om de sociologie te beïnvloeden met de rijke inzichten die het onderzoek naar taal te bieden heeft.

Sociolinguïsten zijn natuurlijk ook een soort sociologen – en wel sociologen die een object bestuderen dat zich betrekkelijk gemakkelijk laat vangen. Het is weliswaar niet heel eenvoudig om precies te achterhalen hoe mensen praten – zodra je ze een microfoon onder de neus drukt, passen ze zich onwillekeurig aan, en bovendien moet je dan nog steeds heel geduldig na afloop met de hand uitschrijven wat ze precies gezegd hebben –, maar dat is altijd nog makkelijker dan uit te zoeken wat ze iedere dag aantrekken of hoe ze denken over hun oude dag.

Via een beeldscherm

Zeker aan het begin van de eenentwintigste eeuw is dat een groot voordeel, zegt Blommaert, want er doen zich nieuwe sociologische verschijnselen voor die nieuw licht werpen op kernvragen uit de sociologie: wat is een groep? Hoe wordt iemand lid van een groep?

Dat komt door het internet. Daar vormen zich nieuwe menselijke gemeenschappen puur met taal. Er wordt de laatste tijd veel gemopperd op de internetbubbels, en mogelijk is dat mopperen terecht, maar die bubbels zijn in de eerste plaats natuurlijk alleen maar een extreme vorm van iets wat de hele tijd op internet gebeurt (je verbindt je met anderen op de sociale media) en in de tweede plaats een waanzinnig interessant verschijnsel. Hoe kunnen mensen ineens zo’n vertrouwen krijgen in de opinies en wijsheden van een groep mensen met wie ze alleen via een beeldscherm contact hebben?

Licht

Blommaert noemt de groepen die zo op internet lichte gemeenschappen. Het zijn niet het soort klassieke sociale groeperingen die gebaseerd zijn op allerlei ‘harde’ eigenschappen als inkomen of huidskleur. Je kunt er daardoor ook gemakkelijker in of uit stappen. Tegelijkertijd treed de identiteit die je op deze manier op je neemt soms buiten de oevers van het online bestaan. Het hipsterdom is volgens Blommaert daar een voorbeeld van – een verschijnsel dat nooit op deze manier zou kunnen bestaan zonder internet, met zijn wereldwijde fascinatie voor houthakkershemden en iPhones, en de talloze aanwijzingen op het wereldwijde web over hoe je precies een hipster kunt zijn.

Die lichte gemeenschappen worden niet alleen in de eerste plaats gevormd door het geschreven woord, maar ze zijn op die manier ook relatief gemakkelijk te bestuderen. Alleen al om die reden hebben sociolinguïsten momenteel wel een beter inzicht in wat er gebeurt dan sociologen, zegt Blommaert. Die lichte gemeenschappen bieden in zekere zin een model zonder franje van hoe mensen groepen vormen en hoe een individu in zo’n groep integreert.

 

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW) en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , , , . Bookmark de permalink.