Pompernikkel: aard, voorkomen en herkomst

Door Renaat Gaspar

Een van de vreemdste woorden in het Nederlands is Pompernikkel, ‘Westfaals roggebrood’. Het is een internationaal woord: uit het Duits Pumpernickel is het onveranderd uitgewaaierd naar het Frans, het Portugees, het Italiaans, het Engels en naar de Scandinavische talen. Zelfs naar het Arabisch: bumbir-nikil. In het Nederlands heeft een klinkerverandering plaatsgevonden: Pompernikkel.

Westfaalse boerin met twee Pumpernickels. Foto uit 1919. Bron: Wikipedia.   

Wat is pompernikkel?

Het Westfaalse roggebrood heeft maar weinig te maken met het ‘Duitse roggebrood’ dat nu in de winkels te krijgen is. Hoe dit voedsel in de 18e eeuw werkelijk was, kunnen we lezen in een uitgebreide beschrijving – de oudste die ik kon achterhalen – van een Franse abbé, die in 1792 voor de revolutionairen gevlucht was naar Westfalen en daar een aantal jaren gewoond heeft. Dit waren volgens Abbé Baston de belangrijkste kenmerken: Pompernikkel is roggebrood, vermengd met meel en zemelen, soms met stro ertussen, en bestrooid met meel. Het is een vast en zwaar, donkerbruin, vierkant blok, ongegist en ongezuurd. Zelfs na 24 uur oventijd blijft het binnenste ongebakken. Het lijkt sprekend op een stuk turf, is zéér machtig en uiterst bevorderend voor de spijsvertering. Het smaakt (na enige gewenning) zeer aangenaam mits men eraan knabbelt en geen grote happen neemt. (Meer eigenschappen van dit brood vindt men bij Heinrich Weber, Coesfeld um 1800. Erinnerungen des Abbé Baston. Coesfeld z.j. [= 1961], pag. 47-49.) De begrippen ‘zwaar’ en ‘vast’ moeten letterlijk opgevat worden: andere beschrijvers beweerden namelijk dat je er iemand de hersens mee kon inslaan en dat je het alleen maar kon verdelen met behulp van een bijl. Volgens de Comte de Neuilly, Souvenirs et correspondance, Paris 1865, pag. 100-101 was ook een klompenmakersbeitel daartoe heel geschikt. In tegenstelling tot Montesqieu, die in zijn Voyages en Europe dit roggebrood ‘excellent’ had genoemd, vond Comte de Neuilly het ‘détestable’. Tevens beweerde hij dat het drie maanden oud moest zijn, voordat je het kon eten.

Ook vermeldden zowel hij als Abbé Baston de populaire etymologie van pompernikkel. Een Franse officier in de Westfaalse oorlog ca. 1700 (in variant: een reizende Fransman die ca. 1700 door Westfalen trok; andere variant: Napoleon die ca. 1800 door dat gebied reisde), kreeg als voedsel in een herberg pompernikkel voorgezet. Lachend zou hij hebben gezegd: ‘C’est bon pour Nicolas’ (in variant: ‘C’est bon pour mon Nickel’). Nicolas of Nickel was zijn paard. Dit grappige (maar onjuiste) verhaal staat overigens al eerder genoteerd: het vroegst in 1769, in Brieven over Duitschland betreffende deszelfs gebruiken, zeden, godsdienst, regeering, koophandel, konsten en oudheden door de Engelsman Thomas Nugent. In datzelfde werk lees je op p. 477 dat de pompernikkel met een bijl moest worden bewerkt om iets ervan te kunnen eten.

Natuurlijk is dit verhaal over de herkomst van het woord een onzinnige verklaring, alleen reeds omdat Pumpernickel veel ouder is. Het staat al precies 100 jaar eerder, in 1669, vermeld bij Grimmelshausen, Der abenteuerliche Simplicissimus. Als scheldwoord voor ‘onbehouwen pummel’ zou het nog ouder zijn. Volgens Pfeifer, Etymologisches Wörterbuch des Deutschen komt het als zodanig al in 1628 voor. Een andere, daarvan afgeleide betekenis luidt: ‘pöbelhaftes Volkslied’, d.w.z. dom, dwaas, (ook schunnig ?) deuntje.

Uiteraard betekent dat niet, dat pompernikkel als voedsel niet al veel eerder heeft bestaan. Er is zelfs een kleine aanwijzing, dat dit soort brood reeds 150 jaar eerder gegeten werd. In het reisverhaal van de Zutphenaren Jacob Kreynck en Derk Vogel (1479) staat bij de noodzakelijk mee te nemen spullen tijdens de pelgrimstocht naar Jeruzalem, tussen allerlei ander keukengerei, óók een bijl vermeld.

Gevoegd bij de maandenlange houdbaarheid van pompernikkel, dat daardoor een ideaal voedsel was om op de lange reis te eten, zou je wellicht mogen aannemen dat de pompernikkel ook in Oost-Nederland bekend was. De andere vocaal kan eveneens daarop wijzen. Hebben alle andere talen de vorm pumpernickel ongewijzigd overgenomen, bij ons werd het pompernikkel. Vgl. het Twents dólbòtter, ‘rumoerig en ongezeglijk kind’ met Westfaals dullbutter, ‘lawaaimaker’. Later kom ik op de etymologie terug. Nu eerst het een en ander over pompernikkel in het Nederlands. 

Pompernikkel in Nederlandstalige boeken en kranten

Volgens Delpher staat het woord pompernikkel in 324 krantenartikelen, bijna allemaal wervende advertenties. Vóór 1850 verschijnt het zeer zelden; tussen 1850 en 1900 ca. 40 maal; na 1900 komt het 285 maal voor, het laatst in 1994. Het oorspronkelijke, Duitse woord Pumpernickel komt vaker voor in krantenartikelen, wederom bijna allemaal advertenties: 558 keer, waarvan 70 keer na 1945; het laatst in de Amigoe di Curaçao van 3 september 1993. Een graadmeter voor de werkelijke populariteit van pompernikkel of Pumpernickel is dit natuurlijk niet: Het aantal kranten (en dus ook de wervende advertenties) is immers in de periode 1800 – 1980 flink toegenomen. Vindplaatsen in Nederlandstalige kranten van latere datum (na 1993 en 1994) zijn mij niet bekend, noch van pompernikkel, noch van Pumpernickel.

Wat de andere bronnen betreft: het woord pompernikkel wordt vermeld in twaalf tijdschriften (waarvan negen keer in zakelijk verband en drie keer in literaire zin) en in 79 boeken (waarvan 53 vindplaatsen in woordenboeken en encyclopedieën). In de overige 26 vindplaatsen – negen daarvan uit de 18e eeuw – wordt pompernikkel 17 keer in letterlijke zin genoemd (de oudste vindplaats in 1693; de jongste in 1930), en slechts negen keer in overdrachtelijke zin. Het Duitse Pumpernickel staat in de 20e -eeuwse Nederlandse boeken maar weinig genoteerd: hoogstens 15 maal, en nooit in overdrachtelijke zin.

Aparte vermelding verdienen nog: de komische opera in drie bedrijven Rocius Pompernikkel (1822) en de komedie Kloas Pompernikkel of den dokter tegen wil en dank (1856), een bewerking van Molière, Le médecin malgré lui. Ook moet er in het begin 18e eeuw een populair lied, ‘Van de Hollantsche Pompernikkel’, zijn geweest, getuige de achttiende-eeuwse ‘musical’ De roemrugtige Haagsche faam of de Amsterdamsche fonteyn (1721).

Pompernikkel in de Nederlandse verhaalkunst

In onze bellettrie komt Pompernikkel met zijn vindplaatsen in slechts zeven werken maar zelden voor: bij Pieter Langendijk (1714 en 1715), bij een anonymus (1793), bij Pieter ’t Hoen (1798), bij Mark Prager Lindo oftewel De oude heer Smits (1865), bij Frans Lazeroms (1926) en bij Marnix Gijsen (1952). Bij de laatstgenoemde met de vorm pumpernickel. Tweemaal (1793 en 1952) is het woord pompernikkel dan wel pumpernickel in letterlijke zin gebruikt, overal elders in overdrachtelijke zin. Maar hoe dan ook: steeds speelt het komische aspect van dit woord een grote rol.

In Langendijks Het Wederzijds Huwelijksbedrog (vs. 2081) is ‘Pompernikkel’ gebruikt als grappig klinkende krachtterm:

‘Jy hoeft nou niet te vreezen / Met jou is ’t blydschap, maar met my zal ’t hangen weezen! / Och Pompernikkel! Och! Och! Och! (…)’.

Zo ook in diens Krelis Louwen (vs. 581), aldaar evenwel in de vorm ‘Pinpernikkel’:

‘Hoe kom ik op dit mooije bed? / Wie drommel heit me hier ‘ezet? / ô Pinpernikkel! hoe bin ik hier in ‘ekomen!’

In een anoniem, zeer lang gedicht (166 strofen van acht regels) De ridder Knevelbaard is het woord in letterlijke betekenis gebruikt. Knevelbaard trekt ten strijde tegen de Turken, in plaats van (zoals zijn vrouw wenst) thuis in Westfalen te blijven

bij Ham, Worst, Tabak, Liefde en Pompernikkel.

Maar nee, hij vertrekt:

Ham, Pompernikkel, en Tabak / Hangt aan mijn Zadel, in een Zak.

Bij de patriot Pieter ’t Hoen in zijn politiek geëngageerde toneelstuk Crispijn, of de geremoveerde staatsraad is sprake van de conservatieve vorst koning Pompernikkel. Pompernikkel is hier overdrachtelijk gebruikt: een grappig klinkende naam voor een domme, dwaze heerser, in tegenstelling tot de verstandige en politiek-onderlegde burger Crispijn:

‘(…) wat mijn koning Pompernikkel aanbelangt, de hemel heeft hem geen verstand genoeg geaccordeerd om een Crispijn te kunnen weezen. (…) wat voordeel is met eenen Pompernikkel – de vloek des volks – te behaalen?

Mark Prager Lindo in ‘Iets over “niets”’ (Volledige Werken, dl. III, p. 37) gebruikt het woord meer in letterlijke zin, althans in die van een raar soort voedsel:

‘Ik zal mijne tafel doen oprichten in dit paviljoen; ik zal er een zuinigen maaltijd gebruiken, bestaande uit vruchten, pompernikel en eene flesch van dien uitmuntenden landwijn, Schnick genaamd (…)’

Bij Frans Lazeroms, Grappige vertelsels is sprake van een boerenkinkel, die uit de bosschage een monster tevoorschijn ziet komen:

‘Bleek van ontzetting deisde hij terug, Hans Pompernikkel van Verlorenhei.’

Bij Marnix Gijsen ten slotte, in De vleeschpotten van Egypte wordt het begrip in letterlijke zin gebezigd: roggebrood.

‘Men at daarbij pumpernickel met kaas die in alle richtingen poogde te vluchten’.

De etymologie van Pumpernickel / pompernikkel

Over de herkomst van het woord Pumpernickel pompernikkel is een aantal zeer uiteenlopende verklaringen gegeven. Hierboven is de in Frankrijk meest tot de verbeelding sprekende volksetymologie al vermeld: de Franse officier met zijn ‘c’est bon pour Nicolas / Nickle’.

Als een andere fraaie (volksetymologische) verklaring is genoemd: een bakker uit het 15e –eeuwse Osnabrück, genaamd Nikolaus Pumper, was de ‘uitvinder’ van deze broodsoort. Niet met andere gegevens te bevestigen en te mooi om waar te zijn. Zelfs nogal dwaas, gelet op de betekenis van pumper (zie onder). 

Dan is er deze verklaring: Pumpernickel zou eigenlijk zijn: bonum paniculum, brood dat de stad Osnabrück in 1450 bij een hongersnood liet bakken. De toren waarin gebakken werd, heet nu nog Pernickel. Tja, er zijn heel wat klankveranderingen nodig om van bonum paniculum via bun panickel tot pumpernickel te komen. Te veel om aannemelijk te zijn.

Een andere verklaring is deze: Pumper = kern, pit. In Oostenrijk en Beieren heet iemand die kerngezond is: pumpergesund en Nickel = (gewestelijk) tarwebrood. Samen levert dat op: volkorenbrood. Maar Oostenrijk en Beieren liggen wel erg ver van Westfalen om aan een typisch volksvoedsel aldaar – niet zozeer tarwe- als wel roggebrood – hun naam te kunnen geven.

Tot zover de meest onwaarschijnlijke, om niet te zeggen fantastische verklaringen.

De taalkundig gefundeerde verklaring van het eerste woorddeel biedt Adelung, Grammatisch-Kritisches Wörterbuch der Hochdeutschen Mundart (1793-1801). Hij vermeldt: pumpern / bumpern = lat. ‘pedere’ en pumper / bumper = ‘crepitus ventris’. In begrijpelijk Nederlands heet dat ‘(ratelend) ruften’ en ‘buiklawaai’ oftewel ‘krakend-harde wind’. Of, zoals we in Vanden Vos Reinaerde vs. 1290 lezen: Reinaert ‘loech, dat hem bachten scoorde ende hem crakede die taverne.’ [R. moest zo hard lachen, dat zijn buikholte vanachteren krakend openscheurde.]

Het tweede woorddeel nickel verklaart Adelung op heel simpele wijze: het is volgens hem een passe-partout ‘eines jeden Dinges’.

Adelungs van het eerste woorddeel is letterlijk overgenomen door Kluge, Etymologisches Wörterbuch der deutschen Sprache, Berlin u. Leipzig 1921. Waarschijnlijk was het grote gezag dat juist dit woordenboek zich snel verworven had, de oorzaak ervan dat iedereen het nu eens is over deze betekenis van pumpern / bumpern in Pumpernickel / pompernikkel.

Wat het woorddeel nickel betreft: al heel vroeg heeft men daarin een verkorting willen zien van de naam Nikolaus. Het oudste geschrift dat daarvan melding maakt, is Lehrreiche Schriften, dl. 1, p. 249, in 1677 vervaardigd door Johann Balthasar Schupp. Kluge (1921) en veel andere etymologen hebben hem daarin nagevolgd. Niettemin is op deze herleiding veel af te dingen, want een rechtstreekse verbinding tussen pumpern, Nickel, Nikolaus – en dus indirect de H. Nikolaas – is tamelijk vreemd. Is immers de gewone verkorting van de naam Nikolaus niet Nickel, maar Claus? En hoe is de naam van deze beschermheilige van schippers, reizigers en mensen in nood te verenigen met allerlei scheldwoorden als Drehnickel, Filznickel, Giftnickel, Greinnickel, Lausnickel, Nitnickel, Saunickel en Schweinnickel? St. Nicolaas als viezerik, vrek of smeerpoets? Heel onwaarschijnlijk. Of mogen we, in navolging van Adelung, het woord nickel beschouwen als een passe-partout, een woord dat van alles kan aanduiden (‘dingetje’) en met alles in verbinding kan worden geplaatst? Dat is misschien wel mogelijk, maar Adelung heeft voor zijn blote veronderstelling geen enkele bewijsplaats gegeven.

Nee, naar de herkomst van het woorddeel nickel / nikkel moet je elders speuren. Je moet zoeken naar een woord ‘nickel’ met een duidelijk negatieve connotatie en met een zeker verband met ‘pumpern’. Ook een zekere verbinding verbinding met de landstreek Westfalen moet mogelijk zijn. Daarbij geeft Grimm Deutsches Wörterbuch VII, 733-735 en 2231-2232 de juiste richting aan: ‘Nickel ist wie Hans, Kunz u.a. auch ein von den hexen gebrauchter Teufelsname; schwäbisch Nickel, ‘kobold’.

Deze betekenis van Nickel kan nog gespecificeerd worden. In het jargon van de mijnwerkers was de naam Nickel de aanduiding van een dwergachtig, pesterig, kwaadaardig wezen, een kobold, die goede ijzer- zilver- of kopererts waardeloos maakte doordat hij er een substantie aan toegevoegd had. Die ‘toegevoegde’ substantie werd in 1754 door de Zweedse mineraloog Cronstedt geïsoleerd, waarna bleek dat men daarmee een heel bruikbaar materiaal had verkregen. Cronstedt noemde dat materiaal, met een knipoog naar de bijgelovige mijnwerkers: ‘Nickel’. En bij dit duivelachtig wezen, deze kobold, passen invectieven als Drehnickel, Filznickel, Giftnickel, Greinnickel, Lausnickel, Nitnickel, Saunickel en Schweinnickel veel beter dan Adelungs Ding en Kluges (eigenlijk Schupps) Nikolaus. Dit omdat de mijnbouw in zuidelijk Westfalen daar al eeuwenlang was beoefend – zo werd in de oudste mijn, Gondersbach, al sinds 1350 kopererts gewonnen – en tot voor betrekkelijk korte tijd alom aanwezig was. De verwerking van ijzererts, de staalindustrie is daar in het Ruhrgebied trouwens bekend (en berucht) genoeg.

Maar niet alleen déze Nickel, deze kobold, vormt de schakel met het Westfaalse roggebrood. Er is nog een ander duivelachtig wezen dat zijn invloed heeft doen gelden. Het is de Neck, Necker of Nix, Nicker, een fabelachtig waterwezen uit de sagenwereld. Grimm, DWb VII, 517 geeft op: Necker / Nicker: ‘daemon aquaticus’. Bij ons in het mnl. was hij onder meer in de mysteriespelen bekend als nicker, necker: ‘duivel’. (Het scheldwoord nikker voor ‘neger’ is een veel latere afleiding daarvan; zie A. Kluyver in W.N.T. dl. IX, 2014 s.v. Nikker). Deze Necker of Nicker, deze waterduivel, heeft zijn tehuis gehad in Westfaalse laagland met zijn rivieren, waterlopen en veenmoerassen.

De invloed van deze Nicker op de Pumpernickel is evident. Vanouds werden duivels, (en de hun verwante monsterachtige figuren als heksen, grofbehaarde reuzen, weerzinwekkende dwergen, kobolden en trollen) voorgesteld als smerige, stinkende wezens die hun aanwezigheid kenbaar maakten door een sterke zwavelgeur, de bekende rotte-eierenlucht H2S. Daarmee is het pumpern na het eten van dit speciale roggebrood afdoende verklaard. Enkele Engelstalige bronnen, waaronder de Merriam-Webster, geven aan pumpernickel dan ook onomwonden de betekenis ‘devil’s fart’.

En de overgang van Pumpernicker / pompernikker tot Pumpernickel / pompernikkel? Dat is niets anders dan een welhaast noodzakelijk optreden van dissimilatie r → l, die iedereen bij zichzelf kan vaststellen. Spreek ‘Pumpernicker’ een paar maal achtereen uit, en als vanzelf zeg je ‘Pumpernickel’. Hetzelfde geldt voor pompernikker > pompernikkel.

Aldus zijn er twéé woorden, Nickel en Necker, die beide hebben geleid tot de naamgeving Pumpernickel voor een moeilijk verteerbaar, loodzwaar op de maag liggend roggebrood met zemelen, dat een luidruchtige en indringend-stinkende digestie veroorzaakt die gemakkelijk aanleiding kan geven tot verwijtende blikken of luide scheldwoorden.

Kluge (1921) gaf als kortste betekenis van Pumpernickel: ‘Stinkfritz’; Vercoullie (1925) volgde hem na met ‘stinkjan’; Pfeifer (1993) koos voor ‘Furzkerl’; Van Veen en Van der Sijs (1997) houden het op ‘stinkende Klaas’.

Gelet op het bovenstaande verband met ‘Nickel’ en vooral met ‘Necker, Nicker’ is een nauwkeuriger betekenis wellicht: ‘stinkduivel’ of ‘stinkende trol’. En wil men zo dicht mogelijk blijven bij de betekenis van het woorddeel Pumper, en tevens (zoals dat met pompernikkel het geval was) een wat komisch klinkende en ietwat onomatopoëtische krachtterm willen laten horen, dan zou men kunnen kiezen voor de Vlaamse variant ‘prottetrol’.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags . Bookmark de permalink.

Één reactie op Pompernikkel: aard, voorkomen en herkomst

  1. Willem van Bentum schreef:

    Er bestaat ook dit hele foute boek:

    Piempampoentje, Pompernikkel en Piepeling

Reacties zijn gesloten.