‘Op Verwey afstappen? Zo’n snotneus als ik?’

Gesprek met Johan W. van Hulst

door Marieke Winkler

Mijn opa werd geboren in 1900. Dat maakte het erg makkelijk zijn leeftijd te onthouden – hoewel het niet zoveel uitmaakte hoe oud hij precies was want voor mij was opa Winkler altijd al stokoud. Hij overleed in 1994. Ik was tien. Vandaag had ik een afspraak met meneer Van Hulst, de oudste bewoner van het verzorgingstehuis waar een goede vriend van mij fysiotherapeut is. Meneer Van Hulst is geboren in 1911. Dat betekent dat hij meer dan drie keer zo oud is als ik nu ben. Ik kan mij niet voorstellen hoe oud dat is. Het idee dat iemand al langer dan een eeuw op de aarde rondloopt is amper te bevatten.

Nog op 95-jarige leeftijd schreef Van Hulst een artikel over de dichter Albert Verwey. Hierin betoogt hij aan de hand van vele passages uit Verweys gedichten waarin naar ‘het Boek’ wordt verwezen dat Verwey zijn religieuze opvoeding nooit verloochend heeft. Een nogal tegendraadse opvatting. De Tachtigers, waartoe Verwey behoorde, zijn immers de boeken ingegaan als de dichters die Schoonheid op de plaats van God zetten en de dichter tot Christusfiguur maakten. Toen Van Hulst vernam dat er op dit moment door een veel jongere neerlandicus onderzoek wordt gedaan naar Verwey, veerde hij op in zijn rolstoel. Ik kreeg het artikel thuisbezorgd en moest maar eens komen praten.

Over het artikel hebben we het maar weinig gehad. Dat kwam misschien doordat ik al snel moest toegeven niet zo Bijbelvast te zijn, maar ik geloof liever dat het kwam doordat meneer Van Hulst net zo graag over andere onderwerpen wilde praten. Over de invoering van de Mammoetwet bijvoorbeeld. Van Hulst had 25 jaar in de Eerste Kamer gezeten en de invoering van de Mammoetwet in 1968 van dichtbij meegemaakt. De wet had tot doel het standenonderwijs te doorbreken door een getrapt onderwijssysteem te introduceren – het systeem zoals we dat nu nog steeds kennen. Oude vormen van onderwijs zoals de kweekschool (een aparte opleiding voor onderwijzers) en de mulo werden rücksichtslos geschrapt, het hele onderwijs moest op de schop. Volgens Van Hulst betekende de wet (waarvan een mede-Kamerlid begin jaren ’60 had uitgeroepen ‘Dit is geen wet. Dit is een mammoet!’) een ramp voor het Nederlandse onderwijs, want het vaagde ook meteen de goede elementen van het bestaande onderwijs weg, een gemis aan basis creërend dat we nu nog steeds proberen te repareren.

Hij vertelt over zijn hoogleraarschap aan de VU en de twee kampen die er toen waren, de ‘anti-revolutionaire gereformeerden’ en de ‘gereformeerde anti-revolutionairen’, over de promovendi die hij heeft gehad, de lezingen die hij gaf in Zuid-Afrika en uiteindelijk over zijn studie Nederlands en doceren, wat hij het liefste deed. Hij vertelt hoe hij al op achttienjarige leeftijd voor de klas stond – ‘We moesten meteen aan het werk, weet u.’ – en hoe hij, als ‘werkstudent’, zijn studie op eigen houtje in de avonduren moest volbrengen. Hij studeerde Nederlands in Utrecht bij prof.dr. De Vooys. ‘Een uitstekend docent en zeer sympathiek mens’. De Vooys is de vakgeschiedenis ingegaan als de laatste hoogleraar Nederlands die zowel de taalkunde als letterkunde onder zijn hoede had. Bij zijn afscheid als hoogleraar in 1946 (op 73-jarige leeftijd!) erkende hij de noodzaak van het splitsen van de leerstoel. De studie was inmiddels flink uitgebreid. Zo omvatte de taalkunde inmiddels de ‘taalpsychologie’ en de ‘semasiologie’ (kindertaal) en was er binnen de letterkunde meer ruimte voor de internationaal vergelijkende literatuurstudie en de moderne letterkunde (onder andere de ‘taaltechniek bij de Tachtigers’). Toch betreurde De Vooys de splitsing ook. Volgens hem was ‘veelzijdige kennis’ uiteindelijk van groter belang voor de ontwikkeling van studenten dan de wetenschappelijke ‘specialisering’.

Toen ik in 2001 begon met Nederlands studeren in Utrecht waarde De Vooys’ naam nog steeds rond in de collegezalen. Voor mij was het niet meer dan een abstract relikwie uit het verleden; echt tot leven kwam hij nooit. De Vooys bleef een naam en een portret aan de muur. Niet hier in dit kleine bejaardenkamertje in het verhaal van Van Hulst; het is een andere tijd en al helemaal niet ‘mijn tijd’, maar toch waan ik me even daar en wordt De Vooys een mens van vlees en bloed. Meneer Van Hulst haalt mij echter meteen uit die droom. Het verleden blijkt altijd anders dan je denkt. ‘Heeft u nog Gotisch gedoceerd gekregen?’, vraagt hij. ‘En Fries? Of Keltisch? Dat was allemaal onderdeel van de studie Nederlands.’ Hij sluit zijn ogen even en zucht. ‘De Codex Argenteus, zegt u dat iets?’ De codex is een van de oudste en best bewaarde Gotische manuscripten die zijn overgeleverd, een rijke bron voor wie het ontstaan van het Gotisch wil onderzoeken. Meneer Van Hulst moest het tot in den treuren bestuderen en ging zelfs naar de bibliotheek van Uppsala om het te bekijken. Nog een zucht. Nee, de historische taalkunde – waar toen veel aandacht naar uitging – maakte hem niet bijzonder gelukkig. De letterkunde daarentegen…

Soms bestond het college simpelweg uit het voordragen van gedichten door de docent, vertelt hij. De sonnetten van Hooft, die waren moeilijk. En ‘Mei’ van Gorter, ‘bijzonder ingewikkeld, wat probeerde Gorter daar nu precies mee te zeggen?’. Niet zonder trots meldt hij dat die colleges er wel toe hebben geleid dat hij meer dan 100 gedichten uit zijn hoofd kende. Nog steeds? Jazeker. Hij kijkt plots strak voor zich uit en begint ‘De moeder’ van Geerten Gossaert voor te dragen. ‘Dat is een mooi gedicht, hè? Zoveel vreugde dat er geen tranen meer zijn…’ Gossaert, pseudoniem van F.C. Gerretson, kende hij goed, vervolgt hij. ‘De man schreef een massieve geschiedenis over Shell, vier kloeke delen. Hij wist niet van ophouden’. Het vormt een mooie opening naar de vraag die ik hem steeds al wilde stellen, heeft hij Verwey gekend als hoogleraar? ‘Nee, ontmoet heb ik Verwey nooit. Ik heb hem wel eens gezien. Het was bij een expositie in Amsterdam. Hij moet al flink op leeftijd zijn geweest.’ En? ‘Op hem afstappen? Geen sprake van! Zo’n snotneus als ik was. Wat zou hij wel niet hebben gedacht!’ Het verleden is vreemd en vertrouwd ineen. Een dergelijk ontzag voor De Grote Dichter behoort tot een vervlogen tijd. Het past niet alleen bij hoe Verwey zichzelf graag zag, ook bij de docenten die Van Hulst inwijdden in de Nederlandse literatuur, trotse leraren geboren in de negentiende eeuw. Maar gelukkig, ook meneer Van Hulst was ooit gewoon een snotneus die opkeek tegen een oude heer.

Dit stuk verscheen eerder op de website van de Wintertuin.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , . Bookmark de permalink.