Knapen wat spreken Arawak

Door Marc van Oostendorp

Of er in Guyana nu nog sprekers zijn van de verre nazaat van het Nederlands, het Berbice-Nederlands, daarover hoorden we de laatste jaren tegenstrijdige berichten. De taal ontstond in de zestiende en de zeventiende eeuw op plantages in dat gebied, de Barbiesjes, waar slaven met hun slavendrijvers probeerden te praten en was dus een mengtaal van (vooral) Afrikaanse talen en Nederlands. In 2005 werd een documentaire gemaakt waarin je de laatste (of: één van de laatste) spreeksters kunt horen praten:

Onder taalkundigen is de taal in ieder geval nog volop in leven. Hoe kwam de taal bijvoorbeeld aan zijn woordvolgorde? Waarom zeiden sprekers bijvoorbeeld:

  • in ha musu kənap dang wat biça di Arwak?
    ze hebben veel knapen daar dat spreken de Arawak?

En gebruiken ze dus ook in bijzinnen de volgorde werkwoord (biça) – lijdend voorwerp (di Arwak) in plaats van dat ze zeggen (‘er zijn daar veel mensen die Arwak spreken‘, met de volgorde lijdend voorwerp – werkwoord, zoals Nederlanders ook in de zestiende en de zeventiende eeuw al deden én zoals gebeurde in de taal van de meeste slaven, het Kalabari?

Daarover gaat een deze week verschenen artikel in Language Sciences van Hedde Zeijlstra en Denice Goddard. Hier is nog een voorbeeld uit hun artikel:

ɛk nim ka afu nim di gut
I weet niet of-je weet het ding

Ook hier weer het werkwoord nim voor het lijdend voorwerp di gut. Terwijl de zeventiende plantagehouders ‘of je het ding weet’ zouden hebben gezegd, en de slaven in hun eigen taal ook zoiets.

Thierry Baudet noemt de volgorde werkwoord-lijdend voorwerp VO, want werkwoord is Verbum en lijdend voorwerp Obiectum in het Latijn. Er zijn geleerden (niet Baudet) die denken dat VO voor de menselijke geest de eenvoudigste volgorde is, en dat OV ingewikkelder is. Dat zou de reden zijn dat gloednieuwe, zoals het Berbice, terugvallen op die VO-volgorde.

Zeijlstra en Goddard maken echter bezwaar tegen conclusie. Zij verdedigen een ander soort conclusie. In het Nederlands, heeft, anders dan in het Kalabari, de hoofdzin een andere volgorde dan de bijzin: Ik weet iets is VO, terwijl (Jij zegt) dat ik iets weet OV is. In het Kalabari zeg je zowel in hoofd- als bijzin ik iets weet. De slaven die probeerden te doorgronden wat de blanken allemaal zeiden (ze kregen daar nooit les in, ze moesten het zelf maar uitzoeken) zouden daardoor op het verkeerde been zijn gezet.

De auteurs wijzen er verder op dat Nederlanders in de zeventiende eeuw ook in bijzinnen af en toe een VO-volgorde gebruikten waar we nu dat niet zouden doen:

  • dat si ontmoeten ene ioncfrouwe
    dat ze een jonkvrouw ontmoeten

En zo is die zeventiende-eeuwse Nederlandse woordvolgorde nog tot het eind van de twintigste eeuw in Guyana blijven bestaan.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.