In het dagelijksch leven zegt men golf

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (113)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Ah, de rijkdom van het woord baar! Zeven artikelen maar liefst heeft het Woordenboek der Nederlandsche Taal eraan gewijd, van ‘benaming van eene Indische gewichtshoeveelheid’ tot en met ‘eene streep, getrokken als grenslijn, t.w. in eene soort van krijgertjesspel‘.

En bijna al die betekenissen zijn verdwenen.

Natuurlijk, als werkwoordelijke vorm leeft het voort, om de twee randen van het leven te beschrijven (baren, opbaren), als achtervoegsel (verdedigbaar), en in enkele uitdrukking (baar geld, baarlijke nonsens). Maar de volle glorie van baar lijkt voorbij. Wie weet nog hoe het woord te plaatsen in dit sonnet van Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)?

Ik zag een groot, wit veld met blijde scharen
Van groote bloemen, die op lange stelen,
Zich door het zoele windje lieten strelen,
En onbewust van eigen vreugde waren.

Ik zag ze rustig in het zonlicht staren,
En met de jonge zonnestralen spelen.
Ik zag het zoet gegolf dier bloemenbaren –
O! dat mijn hart die reine vreugde mocht deelen!

Dat ik die bloemenvreugd begrijpen kon,
Of wist, waarom de bloemen, die ik plukte,
Niet langer straalden in het licht der zon,
Maar angstig hoofdje tegen hoofdje drukten.

Was het de scheiding, die hen droef gemaakt had?
Of, dat een menschenhand ze aangeraakt had?

Het woord golf geeft het hier natuurlijk een beetje weg, want baar was ooit ook een synoniem van dat woord. Het WNT zegt er al over:

Buiten de zeemanstaal thans alleen in den hoogeren stijl, en alleen in toepassing op water dat zeer hoog gaat, zooals in de zee; in het dagelijksch leven zegt men golf.

Ik geloof dat het sinds die redacteur het schreef nog verder is teruggedrongen, misschien omdat die ‘hoogere stijl’ niet meer bestaat, net zo min als veel van de ‘zeemanstaal’, die tegenwoordig natuurlijk vaak Engels is. Ik denk dat ik het eigenlijk alleen ken in de uitdrukking ‘woelige baren’.

Van der Waals gebruikt de uitdrukking dus metaforisch: het bloembed wordt vergeleken met een zee, de bloemen bewegen heen en weer vanwege de wind. Eigenaardig genoeg beweert het WNT hierover dat dit ‘zeer gewoon’ is:

Zeer gewoon is ook bij dichters het gebruik van baar in toepassing op de golvende beweging van het te veld staande graan.

Ten bewijze van dit ‘zeer gewoone’ haalt het woordenboek dan twee mij in ieder geval volstrekt onbekende dichters aan, Ledeganck (‘Groene beemden, gouden baren Van gebogen korenaren’) en De Mont (‘Goud, geel, een eindeloos meer van schommelend — guldene baren’).

Baar, ooit was het een zo gewoon woord, zo rijk aan betekenissen. Het is ook een mooi, een eenvoudig woord, er valt niets tegen in te brengen. Maar inmiddels wordt het steeds obscuurder, staat het te verleppen in zijn vaasje, als de bloemen van Van der Waals. Is het dat een menschenhand het aangeraakt heeft, zou je bijna willen vragen.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW) en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.

3 reacties op In het dagelijksch leven zegt men golf

  1. Wouter Steenbeek schreef:

    We kennen toch allemaal wel het kinderliedje “Varen, varen over de baren”? Ik geef toe dat ik er ook even over moest nadenken, maar onbekend is dat woord beslist niet.

    Er staat trouwens een lettergreep te veel in de achtste regel. Dat euvel zou je gemakkelijk kunnen verhelpen door van “vreugde” “vreugd” te maken. Heeft de dichteres dat niet gewoon bedoeld?

  2. Mient Adema schreef:

    Ik viel metrisch inderdaad ook over die achtste regel, maar denk dat ze de vierde regel herhaalde en in de negende herstelde. Ach, heeft ze gedacht, slik die e gewoon in, alsof er een klinker op volgt.

  3. Wim de Mont schreef:

    Van Karel Ledeganck kennen we vooral ‘De drie zustersteden’, een ode aan Brugge, Gent en Antwerpen.
    En Pol de Mont? Ooit bevriend met Albrecht Rodenbach, leraar Nederlands van Willem Elsschot, directeur van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen én (Belgisch) staatsprijswinnaar voor poëzie. Sic transit gloria mundi, zeker? Enkele van zijn gedichten werden opgenomen in de poëziebloemlezingen van Gerrit Komrij. Zie ook http://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=mont003. Of https://nl.wikipedia.org/wiki/Pol_de_Mont.
    Pol de Mont is de bedenker van het begrip ‘Vlaamse Ardennen’, bekend bij alle wielerfans. En verwar Pol niet met zijn neef Paul, journalist en toneelschrijver en ook al staatsprijswinnaar.

Laat een reactie achter