Gedicht: Willem van Toorn – Twee wintergedichten

‘Twee wintergedichten’ was in 1993 een van de tien favoriete gedichten van Anna Enquist.
Twee wintergedichten

1

Alle bomen zijn dood
in de dorpslaan. Er staat winter
klaar om zijn werk te beginnen.
Nog heeft hij niet ontbloot

de witte zeis van het einde
van weer een jaar: hagel, sneeuw en
ijs. Maar zijn hand op de schede
ligt al gereed. Nu rijden

de boerenwagens naar een groot
hooibed voor een slaap van maanden,
vol dromen met de gil van hazen
na het hagelheet lood.

Er hangt een zeis in het licht
geslepen, een jager loerend
op ons hart. Slaap, doe het
dorp alstublieft dicht.

2

Ik heb nu alles gedaan
voor als de sneeuw zal komen,
ik heb de deuren gesloten
en de blinden voor ieder raam.

En met de sneeuw de storm:
ik heb het dak nagekeken
uit vrees dat het zou kunnen breken
onder des winters enorm

waaien. Nu staat tijd stil
in de dichte kamers en gangen.
Door kieren komt enkel het lange
langzame licht nog. Dat wil

spionneren of er soms
een opening is gebleven
groot genoeg voor de witte legers
om in te dringen tot ons.

Zo, kom maar snel. Ik leid
je trappen op met mijn lantaren
naar een klein vertrek waar wij samen
kunnen doen of wij veilig zijn

als de sneeuw en het waaien komen.
Stil. Laten wij nu gaan slapen,
ons houdende voor elkaar of
wij het nog echt geloven,

alsof licht en koude, vazallen
van de winter, niet alle hoeken
zouden komen doorzoeken,
en de vluchtlingen vinden, alle.

Willem van Toorn (1935)

 

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter