Gedicht: A.J.D. van Oosten – Vallende vliegers

Vallende vliegers

Brekende vleugels – zee — en lucht,
de zon vliegt, aan zijn open raam,
wij zijn niet vrij genoeg gevlucht,
nu — een, twee, drie dan, in Gods naam.

Het laatste werk — sluit alles af,
zet alles stil, geruischloos zal
de rouw zijn aan ons haastig graf
na ’t kort geweld van dezen val.

Geef mij je hand, hier is de mijn’
tot aan den laatsten zwaren stoot.
Je kon mijn jonge broer wel zijn
zoo vallen wij tezamen dood.

Niets meer te doen. Nu een gebed,
hoe is ‘t, van den verloren zoon…
De ontvanger is niet afgezet!
Hoor, ’t vliegkamp aan de telefoon —

“Hallo? hier wij — de “Meteoor”
boven den dood — storten voorover —
adieu, adieu, — geen drukte hoor —
groet allen van ons. — Over!”

A.J.D. van Oosten (1898-1969)
uit: De intocht (1930)

 

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter