Etymologie: pruilen

Door Michiel de Vaan

pruilen ww. ‘de lippen tuiten van teleurstelling’

Middelnederlands pruulstu ‘pruil jij’ (ende alsment di bidt, so pruulstu ‘rogata non cantas’; Hol. 1464–1485), hi pruult ‘hij pruilt’ (Hol., 1430–1450), pruylen ‘mopperen’ (1477). Nieuwnl. pruylen ‘mopperen, treuren’ (1552–1554), pruilen (1615) ‘mopperen, boos zijn, dreinen, treuren’. In dialecten: proelen in Gelderland, Overijssel, Drente, prullen in Noord-Holland, prollen ‘pruilen, knoeien, zuipen’ in Zeeland. Daarnaast Mnl. proel m. o. ‘mooie woorden, woordenpraal’ (1479). Met korte klinker: Mnl. prollen ‘brommen, grommen’ (1490), Nnl. prollen ‘grommen’ (1643).

Verwante vormen: Middelnederduits prūlich ‘pruilerig’. Onzeker is de verwantschap van Middelengels prolle, VroegMoE prowle, proole, MoE prowl ‘rondsluipen, clandestien verkrijgen’. Daarnaast Laatmiddelengels purle ‘rondsluipen’, met metathese uit *prulle. Of de Engelse woorden inderdaad verwant zijn, hangt ervan af of men ‘pruilen’ of ‘mopperen’ qua betekenis met ‘rondsluipen’ wil verbinden.

We moeten uitgaan van *prūl- ‘pruilen’ in het Noordnederlands en Nederduits, en *prul- in het hele Nederlands. Gezien Mnl. proel ‘mooie woorden’ en prollen ‘brommen’ lijkt de beste verbinding die te zijn met Middelnederduits pralen ‘luid spreken, snoeven’, een afleiding van Mnd. prāl ‘lawaai, opschepperij’ (in de standaardtaal gekomen via het Hoogduits, zie bij pralen). Dan was het geluid dat bij mopperend ‘brommen’ hoort dus de oudste betekenis van pruilen, dat zich later heeft beperkt tot de bijbehorende gezichtsuitdrukking. Deze onomatopoëtische woorden met pr- kunnen met brallen en brullen verbonden worden waarin ook a- en u-vocalisme afwisselen, net als in pralen naast pruilen. De variatie tussen br- en pr- kan op het konto van hun klanknabootsende karakter geschreven worden.

Dit bericht is geplaatst in taalkunde met de tags . Bookmark de permalink.