‘Dat ik er dan niet bij kan zijn’. Enige evoluties

Door Marc Kregting

1.

Vroeg in de recente roman De waren van Daniël Rovers zit een terrasscène. Plaats van handeling is Nijmegen, waar twee vrienden hebben afgesproken. De ober vraagt: ‘Wat kan ik voor jullie doen?’ Toen ik dat las wilde ik nog denken dat deze zin min of meer aan lippen was ontglipt, maar aan het eind van het dialoogje bevestigde de ober het tegendeel: ‘Een café latte, oké, dat gaan we doen.’

Zou dat nu klantgerichtheid zijn? Ik weet het niet. Evengoed zou er een catechese kunnen beginnen. Jezus sprak potentiële bekeerlingen immers zo aan: ‘Wat wilt gij, dat ik u doen zal?’

Het terrasevangelie is helder. Ook buiten een werkbiotoop, op een plek die ontspanning geeft waarmee onnozele bedragen zijn gemoeid, schept taal een toestand die economisch is. Op basis van uitruil. Voor de dienst van de ene betaalt de andere.

De leverancier van de dienst presenteert zichzelf op het terras niet alleen ostentatief als partij, hij onderstreept met de eerste persoon meervoud ook dat verkoper en koper aan elkaar zijn overgeleverd.

Wanneer de ober reflexmatig heeft gesproken, dan is hij een komisch personage. Deed hij het bewust, dan wordt hij tragisch. Hoe dan ook breekt hij met het oude paradigma, toen er een koffie verkeerd opgenomen zou zijn die trouwens letterlijk was besteld. Een tijd waarin de klant koning heette en te horen kreeg: ‘Wat wilt u drinken?’ Of zelfs: ‘Zeg het maar.’

2.

Misschien klinkt zo’n romanzinnetje voor mij betekenisvoller, omdat het uitgesproken wordt in een land dat ook buiten fictie Nederland heet, terwijl de taal die mij al anderhalf decennium omringt Vlaams is.

Het kan dat ik nu een narcisme van de kleine verschillen tentoonspreid, maar het Nederlands kan bij vlagen vreemd op me overkomen.

Ik heb dan het niet over grammaticale verschuivingen van het al te veel besproken type ‘Hun hebben’ of van het wegvallen van een buigings-n waardoor ook professionals doodleuk ‘bij deze’ spellen. Mij fascineren vooral ideologische veranderingen die tastbaar zijn geraakt in taal.

Bijvoorbeeld dat de minister-president zijn land ‘gaaf’ noemt. Gebruik van die kwalificatie was voorbehouden aan pubers, eventueel in combinatie met ‘onwijs’ – waarvoor Rutte ‘waanzinnig’ naar voren schoof. Mogelijk omdat een invloedrijke columnist reeds op de leeftijds- en ernstdoorbrekende toepassing van de premier gewezen heeft en er zelfs een boektitel aan spendeerde, zette Rutte ook in de campagne het woord in. Als een koppige puber.

Tegelijk vertoont dit woordgebruik een virulent consultantsenthousiasme dat door filosoof-Twitterfenoneen Eric Jarosinski werd gedefinieerd als ‘een tirannie van ja’. Een positieve grondhouding volstaat niet, superpositiviteit is het minste. ‘Absoluut’, antwoordt men dan ook op een bewering die ‘een overschot van gelijk’ heeft achtergelaten.

Op die manier zwaait de gebruiker vaarwel naar een onderzoekende mentaliteit die gebaseerd was op wat mysterieus ‘gezond wantrouwen’ heette, thans te fixeren in de zurig polemisch gespelde term ‘krities’.

3.

Het geüpdatete levensprincipe vereist een wedstrijdinstelling. Zoals bekend horen daar uitdrukkingen bij die geïmporteerd werden uit het Amerikaans-Engels: ‘er klaar voor zijn’, ‘ervoor gaan’, ‘alles geven’. In Van de wereld signaleert Joris Note een verwante zegwijze voor België: ‘We gaan ons smijten’. Het woord ‘uitdaging’ (challenge), een gelegenheid waarmee helden in de klassieke mythologie hun lichaam en psyche zagen beproefd, komt ook steeds terug en ontvouwt een politiek programma.

Uiteraard schept de wedstrijdinstelling een ‘wij’. Het zijn niet alleen bedrijven die het geheel van hun personeelsleden benoemen als onze ploeg die, zeker volgens de vacaturetekstbijbel, bestaat uit teamplayers. Was het in de verzuilde maatschappij de kerk die wilde handelen met elkaar, nu spreken postideologische politici die mantra uit.

Zoals Jacob Groot optekende: ‘In de economische jachttijd van onze seculiere aardbol is de profetisch aangeblazen politieke twist niets anders dan een variant van de conventionele religieuze animositeit, waarin het aan terreur nooit heeft ontbroken.’ Deze observatie komt uit de roman Geloof in mij waarin een Hollander radicaliseert.

Een herkenbaar voorbeeld van zo’n gehercontextualiseerd woord is passie. Deze term komt uit de geloofssfeer en raakte in de zakenwereld zo ingeburgerd dat hij betekenisloos werd. Als synoniem voor superpositiviteit valt ‘passie’ te begrijpen als kruispunt van een keuze op maat, los van alles en iedereen, die blinkende resultaten geeft.

Wanneer dromen zo vanzelfsprekend uitkomen, bestaan er definitief geen excuses meer uit de hoek van naturalistische besognes als race, milieu en moment.

Daarbij valt me van mijn Vlaamse afstandje op dat het werkwoord ‘nemen’, ooit christelijk in onafscheidelijk gezelschap van ‘eten’, het veld moet ruimen voor het explicietere ‘pakken’. Men neemt geen rust, men pakt rust. Men neemt geen vakantie, men pakt vakantie.

Zo is de eigen verantwoordelijkheid nog meer omlijnd, en zijn kansen louter weggelegd voor degenen die ze durven te zien.

4.

Brigitte Kaandorp bracht eens een komisch liedje. Het heet ‘Heel zwaar leven’ en gaat over iemand die niet alleen klaagt zonder einde, maar ook elke verantwoordelijkheid afwentelt:

Bij mij gaat nooit eens iets vanzelf, daarom ben ik vaak zo moe
Heel veel dingen zijn zo moeilijk dat ik ze gewoon niet doe
En doe ik wel een keertje iets, wordt het heel vaak niet gewaardeerd
En daarom gaan veel andere dingen automatisch ook verkeerd

Ik kan vaak ergens niet mee helpen, want dan heb ik ergens pijn
Dat vind ik zelf ook heel vervelend, dat ik er dan niet bij kan zijn
Ik sta natuurlijk ook veel liever altijd voor de mensen klaar
Maar ja, ze moeten maar begrijpen, mijn bestaan is heel erg zwaar

(…)

Ik zeg ook best wel vaak een afspraak op het laatste moment af
Dan hebben mensen al gekookt, maar ja, ik ben opeens bekaf
Ik vind, ze moeten maar begrijpen dat ik een heel zwaar leven heb
Het is bij hun gewoon vaak vloed en bij mij gewoon vaak eb

Soms dan sta ik bij de kassa, alles moet daar vlug, vlug, vlug
En dan ben ik iets vergeten, moet ik helemaal terug
Alle mensen moeten wachten en dat vinden ze niet fijn
Maar ja, dan zien ze ook een keertje hoe het is om mij te zijn

Hier is ‘krities’-zijn ontaard in narcisme, dat in de beeldvorming is geëxplodeerd in de jaren zeventig. Personen die zulk gedachtegoed in de postideologie nog zouden debiteren, doen iets gewaagds. Tekenend lijkt me een vraag die een website voor docenten Nederlands bij dit liedje stelt: ‘Is hier sprake van een probleem uit de 21e eeuw?’

Een indicatie voor het antwoord geven opdrachten bij de Kaandorp-tekst. Ze vissen naar kenmerken van de romantiek en vragen het begrip ‘weltschmerz’ aan het lied te relateren.

Een echt leven is precies zo zwaar als de dienstdoende persoon het maakt. Problemen zijn relatief. Door superpositiviteit hoeft men er niet meer geruststellend op te reageren met: ‘Het komt goed’. Het onderwerp van die zin bezwijkt onder dusdanig onweerstaanbare intenties dat het gewoon kan verdwijnen. ‘Komt goed’. (Of is het Noord-Nederlands algeheel aan het krimpen? Ik begrijp dat afscheidsfrases als ‘Ik zie je’ en ‘Tot later’ voortleven als ‘Zie je’ en ‘Later’.)

Expansie treedt dan weer op wanneer de uitdaging keert in een regelrecht voordeel. Daarbij kan met twijfel geen rekening worden gehouden. Samengevat in actueel Noord-Nederlands: ‘Komt helemaal goed’.

Dat deze recentere betekenis van helemaal Van Dale nog niet gehaald heeft, ligt misschien aan haar pleonastische inborst. Ook Joris Note registreerde zo’n onmogelijke zegswijze: ‘Ze gaan helemaal uit hun dak’. De tijd zal deze verzekering met overwaarde moeten wegpoetsen.

5.

Over de wedstrijdmentaliteit bestaat ook een tragisch liedje. Het is van Yasmine en het heet ‘Porselein’. Anders dan bij Kaandorp staat de hoofdpersoon aan de goede kant van de streep, maar ze heeft daarvoor haar gevoelens moeten investeren. En juist doordat ze niet klaagt voelt ze zich beroerd:

Mijn gedachten slaan op hol,
Ik verval weer in m’n rol
En ik zal m’n eigen gang weer gaan,
Als een winnaar
Ik kan vechten als een vrouw,
Zoals ik strijden zal om jou
En ruim de vijand van de baan,
Als een winnaar
Maar vanbinnen ben ik broos,
Heel geremd en hulpeloos
In mijn hart ben ik vernederd en boos

Het personage van Yasmine heeft dus de kracht een ‘wij’ te scheppen waar het zelf geen band mee heeft. De verwantschap in dat meervoud is schijn, of hooguit zakelijk. In het liedje wordt louter een ‘jou’ een aangeroepen. Die tweede persoon krijgt zelfs het gebod: ‘als een winnaar / haal jij me onderuit.’

Daarmee wringt de wereld zich in de grammatica, zoals de ober in Daniël Rovers’ roman dat had gedaan. Het ‘we’ waarmee in De waren de bestelling voor geplaatst wordt verklaard, kan ik nog in mijn geheugen terugvinden. Vlak voor mijn emigratie kondigde een fysiotherapeut elke oefening die ik moest doen inderdaad in de eerste persoon meervoud aan.

Voor dat ritueel moesten wel mijn schouders te zien zijn, waartoe deze frase diende: ‘U mag uw shirt uittrekken.’ Ik weet nog dat die schijnbare vrijblijvendheid van een verplichting mij bizar in de oren klonk, al zei ik zelf steevast dat ‘moeten niet in mijn woordenboek staat’.

Toestemming geven aan iemand voor iets waar deze alleen zelf toestemming voor verlenen kan: kennelijk is iedereen een Harry Houdini geworden. En de opmars van het werkwoord mogen in deze toepassing, die wegheeft van juridische formule, lijkt niet aan de grens gestuit.

In België het dit van eventuele schade vrijpleitende gebruik zich gemengd met de beleefde toestemming die in mogen schuilging. Bij een frituur is het gebruikelijk om de vraag te krijgen: ‘Mag er zout op de frietjes?’ (Noord-Nederlands: ‘Wil je er zout op?’) Het ideale antwoord luidt: ‘Dat mag.’ (Noord-Nederlands: ‘Ja, lekker!’)

6.

Door schoksgewijze, kortstondige herenigingen met Nederland zijn me meer wijzigingen in de spreektaal opgevallen.

Ik berichtte al eens over de bezopen vragen ‘Hoe gaat-ie?’ en ‘Dat was ’m’? waarin ‘het’ is weggedrukt. Misschien zijn ze geïnspireerd op sketches van André van Duin, maar ze blijken blijverdjes.

Of het bijwoord zomaar dat, naast daarom, lang een reden was waarmee kinderen verklaarden waarom ze iets idioots hadden gedaan. Die betekenis is verdwenen, een feit dat zich ergens in deze eeuw heeft voorgedaan. In Het achtenveertigste uur, de spreektalige roman van Nicolaas Matsier uit 2005, staat de nieuwe standaarduitdrukking: ‘Zou zomaar kunnen’.

Recenter begreep ik door een restaurantbezoek dat ‘Dan gaan we dat regelen’, Geert Wilders’ pertinente antwoord op het ‘minder-minder’-verzoek, rijmde met een herschikking in de gevoelswaarde van dit hulpwerkwoord.

Voor een reële blik op de toekomst was zullen stelliger dan gaan. Marc van Oostendorp hoorde in ‘gaan’ bij kinderen de tegenwoordige tijd al naderen, en de ultieme zelfstandig ondernemer F. Jacobse zou er zelfs het onlangs gebeurde mee willen corrigeren: ‘Hiero, gaat die Tinus plotseling dat die mierenneukers aan d’r neuzen hangen’.

Nu wasemt het hulpwerkwoord gaan daadkracht. Niets kan de spreker ervan weerhouden zijn ambitie waar te maken. In zijn bizarre brief aan de Nederlanders beloofde Rutte bijvoorbeeld: ‘Ik weet zeker dat we dit voor elkaar gaan krijgen.’

Door het consultantsenthousiasme is falen geen optie. Bij het reguliere hulpwerkwoord voor de toekomst wist de elementaire voorbeeldzin: ‘Dat zal me lukken’. Er werd, al dan niet tegen beter weten in, moed mee verzameld. Inmiddels kan het persoonlijk voornaamwoord met pensioen: ‘Dat gaat lukken’. Of nog wat demonstratiever: ‘Gaat lukken’.

Nu mensen meer dan ooit hun lot in eigen hand nemen, staat zullen een donkere toekomst te wachten.

7.

Eric Jarosinski becijferde ‘komedie’ op ‘tragedie + tijd’. Klopt die som?

Na het lezen van De waren was ik even in Nederland. Bij de grensoverschrijding, vlak boven Essen, piepte mijn gsm met de boodschap ‘welkom in het buitenland’. Weinig later vond ik me terug in een café dat in mijn finale vaderlandse jaren grand café werd genoemd en nu was omgedoopt tot restaurant.

De ober diende zich aan en zei: ‘Wat kan ik voor jullie betekenen?’

Kort nadat we onze bestelling soldaat hadden gemaakt, keerde hij weer en vroeg: ‘Kan ik verder nog iets voor jullie doen?’

Hij deed het erom! Maar mijn eigen becijferingen zijn niet altijd even secuur, dus ik heb toch maar niet gevraagd of we de rekening konden betalen.

Dat kwam later, in een Albert Heijn-vestiging in Antwerpen. De kassière droeg een foeilelijke blauwe button met de tekst: Kan ik u helpen?

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.